Gore Vidals dwarsheden

Er pleit veel voor de opvatting dat Amerika de laatste jaren pas op het hoogtepunt is gekomen van haar ontzagwekkende politieke, economische en culturele macht. De terreur-aanslagen van 11 september, als uitdrukking van rancune en haat, bevestigen die suprematie van de American way of life, die behalve ontzag ook afgunst wekt, en zowel irriteert als inspireert.

Maar volgens de schrijver Gore Vidal, het zwarte schaap van de Amerikaanse essayistiek is Amerika juist al jaren in verval en staat het `imperium' aan de rand van de afgrond. Niet voor niets heet zijn recente bundel politieke en culturele essays The Last Empire. Het is zijn negende bundel, en één die de zwakte van deze dissidente auteur pijnlijk blootlegt. Een stuk van Vidal kan op zichzelf een bevrijdende wanklank zijn in een koor van gelijkgestemden, maar gebundeld heeft Vidals tegendraadsheid een averechts effect: de lezer krimpt ineen van zoveel dwarse arrogantie.

Dat het Amerikaanse systeem niet werkt, is bijvoorbeeld al `geen nieuws' meer, meent hij. Wie het meeste betaalt, wordt president, dat is zonneklaar, de vice-president is het eigendom van `de Israelische lobby', The Wall Street Journal is een `opgewekte neo-fascistische krant', en George Bush junior is natuurlijk maar een stropop, een marionet die wordt gemanipuleerd vanuit het Pentagon.

Ook internationaal gezien haalt Vidal de zweep erover: de Koude Oorlog was de schuld van Harry Truman. Zijn voorganger Roosevelt was, een oorlog eerder, op de hoogte van de Japanse intenties en liet ze begaan om Amerika de oorlog binnen te halen, en het gooien van twee atoombommen op Japan was bedoeld om de Russen af te schrikken. En dan hebben we het nog niet eens gehad over het `eeuwige probleem' van de Amerikaanse inkomstenbelasting.

Sommige contraire opvattingen van Vidal komen door de aanslagen in New York en Washington in een nogal wrang daglicht te staan. Hij is een intellectuele provocateur die sympathiseert met de terrorist Timothy McVeigh (een oud-militair die volgens Vidal in de Golf-oorlog `erachter kwam dat hij er niet van hield om onschuldigen te doden') en met andere extremisten die menen dat de federale overheid een dictatuur in het land wil vestigen, waarvan de klassieke burgerrechten het slachtoffer zullen worden. Ondanks zijn adoratie van McVeigh, was Vidal (die zijn `tijd verdeelt', zoals dat heet, tussen Amerika en Italië) overigens niet aanwezig bij diens executie.

Echte terroristen, schrijft Vidal zonder enige reserve, zijn te vinden bij de overheid, die oorlog voert tegen `de levens, vrijheden en eigendommen van onze burgers'. Vidal meent dat vooral de federale overheid in de greep is van een `moorddadige militaire mentaliteit', die zich bijvoorbeeld uitte in de bloedige onderdrukking van een religieuze sekte bij Waco, Texas, `de grootste massamoord op Amerikanen door federale functionarissen sinds het vuurwerk bij Wounded Knee in 1890'.

Door die opeenstapeling verliest Vidals trotse radicalisme gaandeweg zijn tegendraadse prikkel, en gaat zijn overdonderende aanpak irriteren — zoals die van Amerika zelf. Hoezeer hij er naast kan zitten, blijkt bovendien uit zijn stellige overtuiging dat in de 21ste eeuw `religie nauwelijks een rol zal spelen', en dat Amerika economisch is uitgespeeld `in een Aziatische wereld'. Een voorspelling of analyse is iets anders dan een ondergangsfantasie.

Gore Vidal: The Last Empire. Essays, 1992-2000. Doubleday, 465 blz. ƒ75,90