Geld is er wel, maar het schort aan de verdeling

Financiële problemen bedreigen de Nederlandse topsport. Marcel Sturkenboom, directeur Topsport van NOC*NSF, pleit voor een herverdeling van gelden. En volgens technisch directeur Joop Alberda moet er een coöperatie van kleine sportbonden komen.

Het begrip `financiële nood' in relatie tot topsport roept bij Marcel Sturkenboom ambivalente gevoelens op. De directeur Topsport van de sportkoepel NOC*NSF kent de problemen bij bonden, maar moet tevens vaststellen dat er meer geld dan ooit voor de topsport beschikbaar is. Hij wenst het probleem derhalve van de positieve kant te bekijken; zwartgalligheid laat hij over aan pessimisten.

Bovendien spreken de cijfers boekdelen. Van de 110 miljoen gulden die het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) komend jaar voor sport heeft gereserveerd, gaat er twintig miljoen naar de topsport. De Stichting Nationale Sporttotalisator (SNS) stopt tachtig miljoen in de sport, waarvan dertig miljoen naar de topsport vloeit. En het Team de Mission is tot en met de Winterspelen van Salt Lake City in 2002 en de Zomerspelen van Athene in 2004 goed voor vijftien miljoen gulden op jaarbasis. Een optelsom leert, dat er richting `Athene' minimaal 65 miljoen op jaarbasis door de Nederlandse topsporters te besteden is. Daarbij zijn bijdragen uit het bedrijfsleven niet meegerekend. En daar zit nu juist de pijn bij veel bonden.

Geld is er dus wel. Het is vooral een kwestie van goed verdelen. En dat kan beter. Sturkenboom kondigt nog dit jaar een nieuwe ontwikkeling aan, waarmee de centenproblematiek volgens hem voor een belangrijk deel kan worden opgelost. De directeur kan helaas niet specifiek aangeven welke nieuwe maatregelen genomen worden, omdat het nieuwe beleid nog nader uitgewerkt moet worden. ,,Maar we gaan binnenkort een doorbraak bewerkstelligen'', voorspelt hij. Een tipje van de sluier: van alle olympische bonden zal NOC*NSF een professionele organisatie verlangen.

In algemene termen gesproken komt de breakthrough – waarvan Sturkenboom spreekt – erop neer, dat er een herverdeling van gelden voor de topsport zal plaatshebben. De directeur: ,,Om succes structureel te kunnen maken, gaan we als NOC*NSF om de tafel zitten met de bonden, de overheid en het bedrijfsleven. We willen namelijk een efficiënter verdeling van budgetten; geen verspilling meer. Wij hebben de ambities de laatste jaren opgezweept en voelen het als onze plicht om nu een verfijning aan te brengen. We moeten een nieuwe stap in professionalisering maken. Dat betekent nieuwe keuzes maken en die onmogelijke overhead weghalen. Het is namelijk heel belangrijk, dat we blijven investeren in het primaire proces: in de kleedkamer, op het veld.''

De verklaring voor de financiële problemen is volgens Sturkenboom gelegen in de trendmatige andere besteding van topsportfondsen. ,,Er zijn meer atleten, denk alleen al aan de Paralympics. Er wordt meer gedaan aan talentontwikkeling en het aantal sportdisciplines op de Olympische Spelen is uitgebreid. Verder werken de topsporters intensievere programma's af en is het aantal begeleiders van atleten explosief toegenomen. En voor de deskundigheid van al die mensen moet betaald worden. Tot slot is er meer geld gaan zitten in accommodaties en evenementen.''

Al die nieuwe stappen moeten leiden tot het doel om op termijn de sport over de hele linie – zowel top- als breedtesport – structuur te geven. En daarvoor denkt NOC*NSF 450 miljoen gulden extra op jaarbasis nodig te hebben. Sturkenboom: ,,Maar wat we nog niet hebben gekapitaliseerd is de inbreng van met het bedrijfsleven, lokale overheden en andere instellingen die geld in de sport steken. Op die terreinen is nog winst te boeken, zij het dat na de aanslagen in New York de markt wel een klap heeft gekregen. Daar heeft de topsport ook onder te lijden. Zie alleen al de bedrijven uit alle sectoren die met winstwaarschuwingen komen. Daar hangt mede vanaf of Nederland zijn plaats bij de beste tien sportlanden ter wereld kan handhaven.''

Joop Alberda verbaast zich gezien de miljoenen die naar sportbonden stromen eveneens over financiële noden bij sportbonden. De technisch directeur van NOC*NSF denkt een oorzaak te kennen. ,,De torenhoge ambities stroken niet altijd met de helderheid van de keuzes'', meent hij. ,,Wie globaal denkt, loopt het risico niets serieus te doen. In topsport gaat het om de laatste vijf procent en dat vereist extra hoge investeringen. Maar ik begrijp, dat zoiets moeilijk aan de achterban is uit te leggen.''

Synergie is een andere oplossing die Alberda aandraagt ter verzachting van veel financieel leed. ,,Er zijn bonden waar het bondsbureau niet meer bestaat als de directeur wegloopt'', kiest hij bewust een cynische toon. ,,Dat maakt de last om bijvoorbeeld sponsoren te vinden erg zwaar. Trouwens, tachtig procent van de administratieve werkzaamheden ter ondersteuning van topsport is bij alle bonden gelijk. Pas bij extern optreden wordt volleybal volleybal, basketbal basketbal en hockey hockey. Ik ben er daarom van overtuigd, dat bij het zoeken van samenwerking nog een hele slag te winnen is.''

Het wordt volgens de oud-volleybalcoach derhalve hoog tijd dat de (kleine) sportbonden hun krachten bundelen. Alberda: ,,De olympische topsport in Nederland is te smal om te rechtvaardigen dat er 30 bonden separaat opereren. De huidige structuur stamt nog uit de vorige eeuw. Ik denk dat de bonden tot een grote sanering moeten besluiten en één management-informatiesysteem moeten ontwikkelen. Laten ze alle lijken uit de kast halen, een grote schoonmaak houden en op nul beginnen. En hanteer in een nieuwe organisatie twee units: één voor de topsport en één voor de breedtesport. Van samenwerking word je sterker; als er iemand in een dip zit, is er altijd wel een buurman met een oplossing. En de angst voor verlies van autonomie is ongegrond. Die staat zelfs niet ter discussie, want voor het ministerie van VWS blijft elke sportbond immers een zelfstandige organisatie.''

Een coöperatie van sportbonden vergroot volgens Alberda bovendien de kans op meer belangstelling van de televisie, waarvoor potentiële sponsoren nogal gevoelig zijn. ,,Voetbal slokt zeker 95 procent van de aandacht op'', rekent hij voor. ,,Binnen die resterende vijf procent zijn wielrennen, schaatsen, Formule 1, paardensport en tennis vaste waarden, dus blijft er weinig over voor de rest. En om de plaats op die markt niet helemaal te verliezen, is bundeling in mijn ogen gewoon bittere noodzaak.''

Kom bij Alberda niet aan met het verwijt, dat NOC*NSF met haar grote olympische ambities sportbonden op kosten jaagt. De keus voor topsport maakt de federatie nog altijd zelf, vindt de technisch directeur. De vraag is volgens hem of topsport wel in alle gevallen de lading dekt. Alberda: ,,Er zijn internationale programma's die wat mij betreft eens kritisch bekeken moeten worden. Er zijn bonden die zich de vraag moeten stellen: is het wel topsport waarmee we bezig zijn? Of: kunnen alle atleten wel een topsporter genoemd worden? Ik vind dat sommige topsporters scherper moeten worden getoetst. Er zijn bonden die krijgen voor het kaarsje op de taart één miljoen. Dat is veel geld voor een kaarsje. Maar soms vraag ik me af: wat is de kaars en wat is de taart? En dat baart me grote zorgen, want in het post-olympische jaar is er sprake van een grote terugval in prestaties. Hoe we dat weten? Aan de hand van onze topsportindex. Dat is een keiharde graadmeter.''

Dit is de vierde aflevering van een serie over de financiële problemen in de Nederlandse topsport. Eerdere afleveringen verschenen in de krant van 2, 3 en 4 oktober, en zijn na te lezen op www.nrc.nl.