Eenvoud beklijft

Stel je eens voor dat je de honderd beste gedichten van 2000 mag kiezen. Er valt veel te kiezen, want de oogst was goed vorig jaar: bundels van jongere dichters als René Puthaar en Ingmar Heytze, of van doorgewinterde dichters als Rob Schouten en Margreet Schouwenaar en uiteraard de zeven voor de VSB Poëzieprijs genomineerde dichters. Wat is honderd dan een klein getal.

In het lustrumjaar van de serie De beste 100 gedichten van..., die in 1996 door wijlen Herman de Coninck werd begonnen, kiest filosoof en juryvoorzitter van de VSB Poëzieprijs Theo de Boer zijn favorieten. Zijn keuzes geven blijk van een prettige eigengereidheid.

De Boer selecteert de honderd gedichten traditiegetrouw uit dichtbundels die in het jaar ervoor verschenen. Op één uitzondering na, die de opgewektheid van deze lustrumuitgave blootlegt. Het gedicht `Smaad' van Gerrit Komrij stond 14 juli 2000 in deze krant, en is opgenomen in de selectie. Toch verscheen er in 2000 geen poëziebundel van Komrij. Maar ach, waarom zou je je beperken tot bundels? Veel bijzondere poëzie verschijnt in literaire tijdschriften en kranten en de keuze doet bovendien recht aan de Dichter des Vaderlands. Theo de Boer breekt hier stiekem uit het korset van de serie: nét even anders, maar toch binnen de grenzen van het honderdtal.

Nét even anders is ook zijn keuze uit de genomineerde bundels voor de VSB Poëzieprijs (van Paul Claes, Astrid Lampe, Kees Ouwens, Martin Reints, Patty Scholten, Gertrude Starink en Marjoleine de Vos). De gedichten zijn namelijk niet zo verdeeld als je zou verwachten. Kees Ouwens won de prijs met zijn bundel Mythologieën, waardoor de meeste gedichten in deze bloemlezing toch van zijn hand zouden moeten komen. Maar nee. Als we gaan tellen, komt er een andere winnaar uit de bus: Martin Reints. Hij spant de kroon met zeven gedichten, terwijl Ouwens het met zes stuks moet doen. Als het dus aan De Boer had gelegen, was Reints de winnaar van de prijs geweest.

De Boer nam meer gedichten van de ongenomineerde bundel van Esther Jansma op dan van Paul Claes, die wèl tot de genomineerden behoort. Jansma krijgt er zes waar Claes er vier krijgt. Zelfs Hans Faverey (uit zijn postume bundel Springvossen) en Elma van Haren scoren beter in het aantal beste gedichten met allebei vijf stuks. Het zou haast op een wedstrijd lijken, maar het sympathieke is dat De Boer zich wederom niets gelegen laat liggen aan wat hoort.

Slechts één ding blijft vreemd. De Boer laat de genomineerde Gertrude Starink volledig buiten beschouwing. Zij valt met haar bundels De weg naar Egypte Twintig passages en De weg naar Egypte Zeventien passages buiten het citeerbare, stelt De Boer: `Door hun onderlinge samenhang is het niet mogelijk losse gedichten uit deze bundel in deze bloemlezing op te nemen'. Hoewel de gedichten in De weg naar Egypte inderdaad een compact geheel vormen, lijkt me dit een zwaktebod. Uit bijna iedere bundel valt tenslotte moeilijk te citeren. Til een gedicht uit zijn omgeving en negen van de tien keer verdwijnt er iets: de draden met het oorspronkelijke weefsel raken verscheurd. Niet voor niets komt binnenkort een boek uit over de manier waarop dichters hun gedichten in bundels rangschikken.

In dit geval staan de gedichten alfabetisch achter elkaar op dichtersnaam. Geen hiërarchie dus van allerbest naar best gedicht, zo'n volgorde mag de lezer zelf bepalen. Naar de betiteling `het beste gedicht van 2000' doen een paar gedichten een gooi. Zoals het gedicht van Erik Lindner dat begint met: `Waar het om gaat is niets dan dat het ergens klopt,/ de mogelijkheid een onderdeel te zijn, te behoren/ tot een gezelschap, een verzameling.' Of `Het eskimoterende' van Elma van Haren waarin nuchter wordt geduizeld na het eten van te veel kersen: `Ik veerde op keerde om./ Wist opeens zeker, dat het toch door de kersen was gekomen./ Want wie ooit hoog in de bomen kersen heeft geplukt,/ zal zingen voor het leven.' Of Rob Schouten die in `Dringend verzoek aan de zieners' dicht over de onontkoombare eindigheid: `laat ons in onwetendheid,/ zo nu en dan verstijfd en wezenloos/ maar dan weer in het domst vertrouwen/ de draak bestrijden met beslagen bril'. Eenvoud slaat vaak het hardst in de ziel en misschien daarom zou ik het gedicht met de allersimpelste titel tot het beste van 2000 bestempelen: `Gedicht' van Joris Dennoo. Het tekent een wensbeeld het ideale gedicht te schrijven, `Zo één die past op de leest/ van gemoed', met als concluderende strofe:

Geef me die hand, dat gedicht.

Het moet als een huid over huiver

Schuiven en bevatten wat niemand

Kan zeggen of schrijven.

Het moet beklijven.

Beklijven is ook precies het criterium dat De Boer hanteert voor zijn keuzes. In zijn inleiding licht hij toe: `Herlezen bleek ook de meest praktische maatstaf voor het beoordelen'. Met herlezen van poëzie hou je als liefhebber natuurlijk nooit op en herlezen verandert pas echt in een feest als je de cadans van het gedicht herkent, als je één wordt met de woorden, zodat het gedicht inderdaad `als een huid over huiver/ schuiven' zal.

De Boer noemt dat heel modern `onthaasten': sloom lezen is zijn devies. En wie sloom leest, voelt zich niet langer begrensd door een honderdtal. Wie sloom leest heeft aan honderd eigenzinnig gekozen gedichten voor een heel jaar weer ruim genoeg.

Theo de Boer: De 100 beste gedichten van 2000. Stichting VSB Poëzieprijs en De Arbeiderspers, 136 blz. ƒ20,49