Een kist om je kop

De Franse tekenaar Edmond Baudoin was op 33-jarige leeftijd een laatbloeier, toen hij zijn loopbaan als boekhouder opgaf voor die als stripkunstenaar. Met het boek De eerste reis, dat eind jaren tachtig werd gepubliceerd, vestigde hij zijn reputatie; critici waren lovend, het werd snel in verschillende landen vertaald en er werden vergelijkingen getrokken met Lorenzo Mattotti (Vuren) en José Muñoz (Alack Sinner).

Over de receptie van dat boek vertelt Baudoin een anekdote in de korte autobiografie Klein zelfportret, waarin hij uitlegt hoe een aantal boeken tot stand is gekomen en wat hem drijft als kunstenaar. Zo kreeg hij een brief van een psychiater die hem vertelde dat de wijze waarop hij zijn hoofdpersoon had getekend (een man met een `open hoofd' dat direct in verbinding staat met de omgeving en waardoor we als lezer de associaties zien die er in dat hoofd omgaan) door hem werd gebruikt om mensen uit te leggen wat schizofrenie is. Sinds de moderne klassieker De eerste reis heeft Baudoin een stevig oeuvre opgebouwd, waarvan drie boeken (plus Klein zelfportret) recentelijk werden vertaald door uitgeverij Sherpa.

Het oudste van die drie boeken is Het portret, dat Baudoin vlak na De eerste reis schreef. In dit boek vertelt hij het verhaal van een oude schilder die worstelt met een portret van een jonge vrouw. Telkens weer moet ze terugkomen, omdat hij haar maar niet goed op het doek kan krijgen. Eigenlijk is de schilder verliefd op haar en daarom is het zo moeilijk. Maar ook tilt hij zwaar aan zijn beroep, getuige zijn overpeinzingen: `Ik zou graag het leven tekenen. De onmogelijke droom... Ik wil opnieuw de strijd ermee aanbinden'. Wanneer het model echter naar bed gaat met een vriend van de schilder is hij geschokt (`Heiligschennis. Carol, hoe kon ze?') en in de scène waarin de vriend zijn verovering vertelt zien we hoe de schilder langzaam in het niets oplost. Het boek eindigt somber met de constatering dat het vastleggen van het leven onmogelijk is, omdat het een droom is.

Het portret is een van de meest poëtische strips die er ooit gemaakt zijn; Baudoin verliest zich helemaal in de materie die hij aansnijdt en waar hij ook zelf als kunstenaar mee te maken heeft. Dat leidt tot prachtige grafiek en verkenningen van de mogelijkheden die de zwart-witstrip te bieden heeft.

De twee andere boeken die bijna gelijktijdig met Het portret in het Nederlands verschijnen zijn van latere datum en minder experimenteel. Terwijl Baudoin eerst met een bijzonder grove penseel te werk ging, combineert hij nu houtskool met een lichtere penseellijn. Zijn stijl is echter nog duidelijk herkenbaar en die heeft hij (in een interview in striptijdschrift Zozolala) zelf ooit eens omschreven: `Bij tekeningen hindert het me om te veel in te vullen, te veel te zeggen. Dus heb ik me afgevraagd: hoe moet ik zo tekenen dat ik de ander een beetje de hand reik, maar dat hij er ook uit kan halen wat hij zelf wil. Net als de schrijver: niet alles vertellen, niet alles zeggen, niet alles opleggen.' Hoewel toegankelijker getekend, houdt hij dat principe ook vast in Véro en Salade Niçoise. De afzonderlijke personages hebben een duidelijke persoonlijkheid, zonder dat ze een sjabloon worden zoals in veel strips wel gebeurt.

In Véro draait alles om de jongen Willy. Hij groeit op in een duistere banlieu waar weinig begrip is voor zijn gevoeligheid en zoektocht naar vrijheid. De gevangenis van zijn geest wordt gesymboliseerd door een kastje dat voortdurend om zijn hoofd zit. Na een overval waar hij per ongeluk bij wordt betrokken, vindt hij uiteindelijk rust in de gevangenis. Pas dan verdwijnt het kistje om zijn hoofd en voelt hij zich thuis.

De bundel Salade Niçoise is minder pessimistisch van toon en tevens het sterkste boek van de drie. De jongeman Manu zien we als hoofdpersoon in het Zuidfranse Nice waar tussen de melancholie en tristesse alleen een waterig zonnetje door het dichte wolkenpak sijpelt. Manu raakt er verliefd op een vrouw die uit een schilderij van Modigliani lijkt te zijn weggelopen. Hij heeft succes bij haar en de seks beschrijft hij als `...een uur later waren we bij mij. Ik betrad een kunstwerk'. De volgende ochtend verdwijnt ze echter uit zijn leven. Hij krijgt nog wel een kaartje waarop een schilderij van Modigliani staat afgebeeld.

In het iets minder dromerige `Coco beach' wordt de levensgeschiedenis verteld van de bejaarde zangeres Gloria die ooit een grote hit had en een ster werd. Maar nu ze haar jeugd kwijt is en niemand haar meer kent, wil ze een einde maken aan het leven. Aan de voet van de rotsen waar ze vanaf wil springen zingt iemand echter haar lied van weleer (`Het is nog niet voorbij...').

En zo bevat Salade Niçoise nog meer korte, dromerige verhalen die allemaal een ding gemeen hebben: geloofwaardigheid. Het is de realiteit door de ogen van een kunstenaar met grote gevoeligheid, inlevingsvermogen en met een scherp oog voor details die hij weergeeft..... in fraaie zwart-wittekeningen. Salade Niçoise is minder tobberig van toon dan de voorgaande boeken. Of Baudoin – net als de schilder in Het Portret – ook al het gevoel heeft dat hij `het leven kan tekenen' valt te betwijfelen. Maar getuige de ontwikkeling in zijn laatste boeken zit hij er niet ver meer vandaan.

Edmond Baudoin: Véro. Sherpa, 64 blz. ƒ24,95 Het portret. Sherpa, 48 blz. ƒ25,33 Salade Niçoise. Sherpa, 256 blz. ƒ44,–. De Nederlandse editie van Klein zelfportret verschijnt eind dit jaar.