De mist in

De vroeg negentiende-eeuwse Amerikaan Thomas Dick was van mening dat materie zinloos is als het niet wordt waargenomen. God geeft aan alles dat bestaat zin, ook elders in het heelal bestaat materie. Overal in het heelal zijn dus waarnemende wezens. Ieder hemellichaam, inclusief asteroïden en kometen, wordt dus door waarnemende wezens bewoond. Fraaie redekunstigheid. Dick schatte de maanbevolking op 4,2 miljard, het gehele zichtbare heelal zou dan 60.573 met éénentwintig nullen aan waarnemers tellen. Dat hoefden natuurlijk niet alleen maar mensen te zijn. `Wat een variëteit aan bestaansvormen kan er onder een dergelijke hoeveel wezens bestaan', schreef Dick. `Van de aartsengel en de serafijn tot de worm en het microscopisch kleine animalculum.'

De auteur van deze woorden zou het brengen tot The Complete Works of Thomas Dick (1856) en hij past beslist in een buitenlandse pendant van de eregalerij vaderlandse `domdenkers' die Matthijs van Boxsel in zijn recente Morosofie in het leven riep. Dat geldt niet voor de man die in een artikelenreeks in The New York Sun meldde dat de vermaarde astronoom Herschel een veld papavers op de maan had ontdekt, palmen, kwartseilanden en een tweevoetige bever. De bedenker van deze hoax was Richard Adam Locke (familie van de filosoof), die op het werk van Dick alleen maar hoefde door te redeneren. We kunnen het ons nu niet voorstellen, maar het ging er bij het publiek in als koek. De stukken van Locke werden in vele kranten herdrukt, en van een bundeling werden in een paar dagen zestigduizend exemplaren verkocht. Big business, Locke hield er een klein fortuin aan over. De ware, ernstige morosoof Thomas Dick verdiende niets aan zijn theorieën.

Het verhaal over Dick is een van de meeslepende stukken in Paul Collins' Banvard's Folly, Thirteen Tales of Renowned Obscurity, Famous Anonimity, and Rotten Luck, vertaald onder de titel Miskend talent. Dertien studies in herontdekt obscurantisme, beroemde anonimiteit en domme pech. Voor de scherpslijpers is er het een en ander op de vertaling van titel en inhoud aan te merken, maar we mogen blij zijn dat uitgeverij Vassallucci ons Collins' schitterende vertellingen voorschotelt. De auteur heeft zich grondig voorbereid en schrijft met humor en mededogen, want het loopt in de meerderheid van zijn dertien `gevallen' slecht af. In het geval van Banvard uit de oorspronkelijke titel leek het daar aanvankelijk niet op. Deze buitengewoon getalenteerde schilder en verteller werd rijk van de vertoningen die hij gaf van zijn vijf kilometer lange schilderijen van de beide Mississippi-oevers. Banvard schopte het zelfs tot een voorstelling voor de Engelse Koningin Victoria. Maar toen hij in een concurrentiestrijd met rariteiten- en spektakelcircusdirecteur Barnum verzeilde, ging Banvard door tot het gaatje onder in de geldkist – hij verloor.

De vergankelijkheid van de roem en de roem der vergankelijkheid – ik zit maar steeds te zinnen op één noemer waaronder de mensen in Collins' boek vallen. Er zijn briljante dwazen bij, als Delia Bacon die op basis van `innerlijk bewijs' het auteurschap van Shakespeare's oeuvre betwistte, of William Ireland die uiterst authentiek ogende Shakespeare-manuscripten fabriceerde, brieven en documenten, alsmede een heus historisch drama Vortigern. Ireland verdiende goed aan de verkoop van alle stukken, tot de bijl viel en hij werd ontmaskerd. Na zijn dood bleken niet minder dan zeven `oorspronkelijke' manuscripten van Vortigern te bestaan: Ireland vervalste zijn eigen vervalsingen. Een echte morosoof is weer John Cleves Symmes, de man die Edgar Allen Poe inspireerde met zijn theorie dat de aarde hol was en aan de binnenzijde bewoonbaar, je kon van de ene `sfeer' in de andere komen door gaten bij Noord- of Zuidpool. Ook de blauw-lichttheorie van brigadegeneraal Pleasonton, bedoeld `ter verbetering door het versnellen van de groei van planten en dieren' is, ondanks een toekenning van patent in 1871 een morosofische onderneming.

On-morosofisch, maar werkelijk ongehoord is weer de geschiedenis van Robert Coates, de van huis uit schatrijke dandy-acteur die dankzij een volstrekt gebrek aan talent volle zalen trok. Vooral zijn sterfscènes als Shakespeare-Romeo waren vermaard: hijgend, grimassend, stuiptrekkend `kreunde hij zich door elk denkbaar stadium van de doodsstrijd heen'. Men vond het zo mooi, dat om een reprise werd geroepen, die onmiddellijk volgde. Weer de slok uit de giffles, eindeloos uitgeschmierde doodshuiver, et cetera. Maar de voorstelling verveelde, en Coates wachtte een roemloos einde.

De vergankelijkheid van de roem, de roem der vergankelijkheid. Toch niet zo'n gekke samenvatting van dit geweldige boek van Paul Collins. Op hun eigen manier zijn alle negentiende-eeuwse figuren uit Miskend talent bekend of beroemd geweest – bepaald niet miskend dus – maar zijn ze gewoon de mist in gegaan. De mist van de mislukking, de mist van de geschiedenis. Het vergt een speciaal talent om talent definitief te verzilveren. Niet iedereen bezit dat. Dat is jammer, maar het levert mooie verhalen op.

Paul Collins: Miskend talent. Dertien studies in herontdekt obscurantisme, beroemde anonimiteit en domme pech. Vertaald door Henne van der Kooy. Vassallucci, 334 blz. ƒ50,58