De Duivel in huis

In een serie besprekingen van heruitgegeven klassieke boeken deze week `Het naakte leven' van Luigi Pirandello (uit het Italiaans vertaald door Anthonie Kee. Coppens & Frenks, 297 blz. ƒ59,50 (geb.))

In het literaire universum van Luigi Pirandello (1867-1936) is het noodlot een repeteergeweer dat niet rust voordat het slachtoffer dodelijk geraakt is. Opmerkelijk vaak wordt dit wapen gehanteerd door een vrouw, die hetzij door verwoestende jaloezie hetzij door heimelijk overspel een gebroken mens maakt van haar echtgenoot.

Ook in Het naakte leven, het veertiende deel van de voorbeeldig uitgegeven en voortreffelijk vertaalde reeks Novellen voor een jaar, ontbreekt het niet aan door de vrouw geënsceneerde noodlotsdrama's. Het lijdend voorwerp van de vernedering is meestal een sullige man met een `maagdelijk hart' die te laat beseft dat hij een ware Beëlzebub in huis heeft gehaald. Zodra het huwelijksbootje is aangemeerd, ontbolstert de vrouw zich en blijkt zij ineens `een ander'. Zij is de chronische ziekte die de beduusde echtgenoot plots onder de leden blijkt te hebben. Zo is er (in het verhaal `Bitter water') de vrouw die eist dat haar echtgenoot een duel aangaat met een man die haar beledigd heeft en zich vervolgens ontfermt over de gewonde rivaal. Of de vrouw die dubbel overspel pleegt door zowel haar man als haar minnaar te bedriegen met een ander. Beide heren komen tegelijkertijd achter deze schanddaad en raken ontroerd door de trouw van het enthousiast groetende hondje dat door zijn wellustige bazin tijdelijk buiten de deur is gezet.

Niet minder malicieus is het verhaal `Zaliger gedachtenis'. Daarin trouwt een brave borst een weduwe die zich onmogelijk kan losmaken van haar overleden man. Op de huwelijksreis moet hij in dezelfde sponde zijn vrouw beminnen als waarin zijn voorganger ooit de inwijdingsdaad heeft verricht en thuis staart het portret van de aanbeden dode hem aan. Om zijn eigen persoon op te dringen aan zijn vrouw gaat hij uit de pas lopen, maar dat doet zijn echtgenote juist heel erg aan haar man zaliger denken. Dan, `niet zozeer om zijn vrouw te bedriegen als wel zich te wreken op de man die haar van hem afhield' pleegt hij overspel met de vriendin van zijn echtgenote. Na deze daad, waarvoor hij zich danig schaamt, ontdekt hij echter tot zijn verbijstering het portretje van zijn dode maar onverslaanbare rivaal in de gouden hanger van een ketting die de vriendin toebehoort.

Toch worden ook de vrouwen regelmatig te grazen genomen. In drie novellen valt ineens het doek voor hen: ze krijgen een onverwacht `tikje' van de steels passerende dood. In het ontroerende en prachtige verhaal `In het teken' staat niet een diabolische macht of een onberekenbare God aan het roer van de rampspoed, maar een lafhartige jongeman. Deze Riccardo, zoon van een baron, heeft Raffaella, de gezelschapsdame van zijn moeder, zwanger gemaakt en vervolgens lijdzaam toegezien hoe het verliefde meisje op straat werd gezet door zijn vertoornde vader. Na een mislukte zelfmoordpoging en kommervolle tijden belandt Raffaella opnieuw in het ziekenhuis, ditmaal vanwege ernstige bloedarmoede. Daar ziet ze haar voormalige minnaar aan de arm van een blond meisje in een groep van medicijnenstudenten. Dan beraamt ze een plan. Ze zorgt ervoor dat ze als proefkonijn voor de cursus symptomatologie wordt gebruikt, zodat ze Riccardo te zien krijgt. Terwijl de jongen beschaamd het hoofd afwendt vraagt de naakte Raffaella of het blonde meisje de praktijkles op haar mag uitvoeren. Het meisje begint lijnen te trekken op het magere lijf: `haar hart waarvan zijn blonde vriendin stukje bij beetje de omtrekken aanbracht op die deerniswekkende boezem, door zijn toedoen zo uitgeteerd.' Het verhaal eindigt met de verpletterende zin: `Eenmaal uit het ziekenhuis, voor een kleine spiegel [...], dreef ze een dolk recht in het teken dat haar onwetende rivale op haar had aangebracht.'

Hoewel de machtsverhoudingen hier dus omgekeerd zijn, wordt de vertelling opnieuw gestut door de thematische pijlers ziekte, dood, afgunst en bedrog. De mens bij Pirandello is `geboren om te lijden, te dwalen' omdat hij zich eerder door luchtspiegelingen laat leiden dan door nuchtere realiteitszin. Maar hoe onverbiddelijk ook het noodlot telkens weer toeslaat in dat Pirandelliaanse universum, de alsem wordt altijd aangelengd met zoete spot. De lotgevallen van die gesneefde personages worden luchtig gepresenteerd, alleen al vanwege het feit dat de verhalen gelardeerd zijn met tal van vraag- en uitroeptekens, even zovele knipogen van een verteller die laag boven de handeling zweeft en soms onder de huid van het personage duikt.

De meest overtuigende knipoog naar de lezer wordt evenwel gegeven in het laatste verhaal van de bundel. Daarin is het nu eens niet de dood die de mens een poets bakt maar de auteur die magere Hein in het ootje neemt. De koetsier van een lijkwagen derde klas staat `opgevreten door vliegen en verveling, in de gloeiende zonnehitte [...] te wachten op zijn eerste vrachtje.' Pas heel laat beseft hij dat de meeste deuren in de straat half openstaan (normaal een teken van rouw) en dat hij al die tijd voor het verkeerde huis heeft gewacht. Uiteindelijk ontmoet hij de vloekende dragers met de baar. Dit gemankeerde rendez-vous tussen de dood en zijn dienaar is een meesterlijk slotakkoord van een bundel die bol staat van ironische misère en vertellersbranie.