Bel ons niet. Wij bellen u

Lang wierp Vietnam zijn schaduw over de Amerikaanse buitenlandse politiek. David Halberstam kijkt terug op de brandhaarden waar Bush senior en Clinton mee te maken kregen. De grootste misser: Somalië.

Terwijl aan de borreltafel Macedonië en de Balkan als gespreksstof zijn vervangen door de Talibaan en Osama bin Laden, de nachtwakerstaat ruw uit een jarenlange sluimer is gewekt en de politiek de economie weer aan de teugel neemt, verschijnt een onmisbaar boek over internationale verhoudingen. Onmisbaar niet omdat het enig licht werpt op het thema van het internationale terrorisme of de krachten daarachter. Dat doet het niet. Het Midden-Oosten wordt slechts fragmentarisch behandeld. Het belang is te vinden in het verhaal over een supermogendheid die na het verloren gaan van zijn rivaal, verstrikt is geraakt in een onoplosbare tegenstelling tussen onbeheerste geldingsdrang en een diep in de nationale en politieke psyche verankerde onzekerheid.

David Halberstam kiest voor de journalistieke aanpak, niet verrassend voor een man die in Vietnam zijn sporen verdiende voor The New York Times en vervolgens zijn naam vestigde met bestsellers als The Best and the Brightest en The Powers that be. Hij verwijst vaker naar eigen interviews met hoofdrolspelers en boeken van vooraanstaande waarnemers dan naar zojuist uit de archieven opgedoken geheime documenten. In zijn verantwoording zegt hij niet op zoek te zijn geweest naar de spoken van Vietnam, maar hij trof ze wel dikwijls aan, `en zij vonden mij, het meest zichtbaar in de schade die zij hadden berokkend aan twee instellingen van doorslaggevende betekenis voor de algemene publieke gezondheid (van Amerika), maar onevenredig geraakt door die oorlog, het Amerikaanse leger en de Democratische Partij.'

War in a Time of Peace kent 44 titelloze hoofdstukken, beknopte analyses van ontwikkelingen en periodes afgewisseld met korte, trefzekere biografieën van de mannen en vrouwen die sinds de val van de Muur de dienst uitmaakten. De anonimiteit van de hoofdstukken maakt veelvuldig gebruik van het register noodzakelijk, een onnodig omslachtige manier om de rode draad vast te houden. Het boek is goed geschreven, met van tijd tot tijd een beeldende samenvatting. Maar het kent ook veel herhalingen, voor een deel voortvloeiend uit de opzet, soms ook een gevolg van redactionele slordigheid, en misschien ook van de haast om niet door nieuwe ontwikkelingen achterhaald te worden. Die ontwikkelingen zijn er inmiddels en daarom is de lezer nieuwsgierig naar wat Halberstam daarover geschreven zou kunnen hebben.

Landing

War in a Time of Peace gaat over de brandhaarden Bosnië, Kosovo, Haïti. Rwanda en Somalië. Het begint met een saluut aan Bush senior voor de zelfbeheersing waarmee hij de erfenis van de Koude Oorlog afhandelde. Zijn doel was een zachte landing van de Sovjet-Unie onder Michaïl Gorbatsjov in een nieuw, vreedzaam tijdperk. Daarom meed Bush een bezoek aan de Muur en de overwinningsfanfares aan het thuisfront, een terughoudendheid waarvoor hij in 1992 betaalde met een verkiezingsnederlaag. De man die de bladzijden daarna beheerst is Bill Clinton. Zijn aanvankelijk exclusieve gerichtheid op Amerika zelf, zijn aversie tegen buitenlandse politiek en vreemde staatslieden gaan geleidelijk over in de moeizame en door tegenslagen opgedrongen erkenning van de onontkoombare werkelijkheid dat de wereld de machtigste mogendheid opzoekt – ook, of juist, als die mogendheid met rust gelaten wil worden.

Niemand in Clintons regering, meent Halberstam, probeerde een concept te ontwikkelen waarmee de veranderende wereld tegemoet getreden had kunnen worden, een wereld waarin nationalisme en tribalisme hoogtij vierden en waarin de ondergang van de bestaande orde niet te loochenen viel. Pragmatisch als zij waren, behandelden de Clinton-mensen de buitenlandse politiek als losstaande vraagstukken, zonder richtsnoer – afgezien van hun voortdurende aandacht voor het binnenlandse politieke fortuin van de president.

Gedurende Clintons eerste termijn (1993-1997) deden zij dat op een grillige manier alsof het ging om bijkomstigheden. De naïviteit van een nieuw team paarde zich aan arrogantie, voortvloeiend uit het besef dat Clinton zo talentvol en vaardig was, dat hij doordachte concepten van zijn entourage eigenlijk niet nodig had. Nog naar aanleiding van de conferentie van Dayton over Bosnië (herfst '95) concludeert Halberstam: `De Clinton-mensen hadden een regeling in Bosnië, maar zij hadden nog steeds geen buitenlandse politiek.' Zij hadden zich met Bosnië beziggehouden wegens het gevaar dat deze ramp in een verkiezingsjaar, 1996, in een binnenlands politiek probleem kon ontaarden.

Aan de hand van de gebeurtenissen in Somalië laat de auteur het scherpst zien waar het om ging. Bush had op de valreep ruim 40.000 GI's daarheen gestuurd om een humanitaire ramp te helpen indammen. De Somaliërs hadden bewezen dat ook in een etnisch en religieus homogene samenleving de mensen elkaar naar de keel vliegen. Volgens Halberstam ging het om oude vetes tussen clans die door de antagonisten in de Koude Oorlog waren misbruikt om een plaats te verwerven in de Hoorn van Afrika, destijds een gebied van strategische betekenis in de ogen van Washington en Moskou. Bush' besluit tot interventie was afgedwongen door tv-beelden van hongerende en mishandelde mannen, vrouwen en kinderen. Halberstam meent dat het ging om een oppervlakkig beeld van de werkelijkheid waarvan de politieke betekenis heel eenvoudig door een ander beeld tenietgedaan kon worden. En dat andere beeld kwam er: dat van het lijk van een Amerikaanse soldaat dat door oorlogsdronken Somaliërs door de straten van Mogadishu werd getrokken. Aan de interventie kwam een abrupt einde.

Verraden

Maar de zaak vrat door. Clinton weigerde de volle verantwoordelijkheid voor het debacle op zich te nemen. Hij voelde zich verraden door zijn omgeving die hem niet had gewaarschuwd toen de Amerikaanse politiek, aangespoord door VN-secretaris-generaal Boutros Boutros-Ghali, was overgegaan van onpartijdige hulpverlening op een beleid van nation building. Vooral Amerika's militaire top voelde zich genomen. In hun ogen was de voornaamste zorg van het Witte Huis niet de werkelijkheid geweest, het was de schijn van werkelijkheid – spin, ofwel het blazen van rookgordijnen waarachter de eerste en hoogste verantwoordelijkheid verborgen kon blijven.

Dat spin zich onder politici tot zo een aantrekkelijk, veelgebruikt instrument ontwikkelde, wijt Halberstam ook aan de media, de grote networks voorop. Aan internationale ontwikkelingen werd nauwelijks zendtijd meer besteed en buitenlandse correspondenten – voorheen de journalistieke elite – legden het af tegen televisie-presentatoren met miljoenensalarissen, die vooral zijn geïnteresseerd in schandalen en in het wel en wee van beroemdheden. Een uitzondering maakt hij voor de serieuze kranten en tijdschriften en voor CNN, speciaal voor verslaggeefster Christiane Amanpour die nagenoeg in haar eentje de Balkantroebelen onder de aandacht van het televisiepubliek bracht.

Halberstam heeft een goed gevoel voor compacte en treffende beelden. Toen eenmaal het besluit was gevallen Rangers en Delta Force naar Somalië te sturen, verzuchtte minister van Defensie Les Aspin tegenover zijn oude vriend Richard Holbrooke: ,,Ze zijn als overtrainde pit bulls. Niemand heeft ze aan de lijn. Ze gaan er zo op af.'' Hij kreeg gelijk. Eenmaal ter plaatse spraken de soldaten over de Somaliërs als `Skinnies' en `Sammies'. De enige goede Somali was een dode Somali, vrij naar het aloude `a good Indian is a dead Indian'.

Holbrooke sprak op zijn beurt over het `Vietmalia-syndroom' dat voortwoekerde ook na de successen in de Golfoorlog. De houding van de Clintons tegenover buitenlandse leiders omschrijft Halberstam als: `bel ons niet, wij bellen jullie, en intussen nemen wij alle belangrijke beslissingen'. Ray Seitz, Amerika's ambassadeur in Londen, zegt over Clintons eerste minister van Buitenlandse Zaken, Warren Christopher: `Een volwassene in een speeltuin'. Over de gewelddaden van Serviërs tegenover moslims en van moslims tegenover Serviërs schrijft Halberstam: `Er waren nu, naar het scheen, twee honden in dat gevecht en we hadden geen favoriet.' Toen een psychopaat zijn vliegtuig op het Witte Huis liet vallen, heette het dat het toestel was bestuurd door CIA-directeur Woolsey, die, na vele vergeefse pogingen, zou hebben geprobeerd de president te spreken te krijgen.

China

Halberstam heeft geen beoordeling van Clintons presidentschap geschreven. Hele gebieden ontbreken, zoals de ontwikkeling in de verhouding tot China, van scherpe kritiek op de belabberde staat van de mensenrechten in dat land naar de zogeheten positieve engagement, uitmondend in China's lidmaatschap van de Wereld Handels Organisatie. De wereld ten oosten van Suez blijft toch al in de schaduw, afgezien van de Golfoorlog. Maar het accent ligt hier op de discussies in Washington over de oorlogvoering zelf: luchtoorlog versus landoorlog en traditionele luchtoorlog tegenover de hightech-aanvallen op Bagdad en andere Iraakse steunpunten die uiteindelijk een snelle overwinning brachten. Tegen Servië zou later weer de aarzeling de overhand krijgen met een veel langere duur dan noodzakelijk was geweest. Volgens berekeningen zouden 48 Stealth 117's in zes weken de Duitse oorlogsproductie hebben lamgelegd. In de Tweede Wereldoorlog was daarvoor een driejarige campagne nodig geweest met de inzet van zo'n zesduizend zware bommenwerpers.

Ook Halberstam weet het dilemma niet op te lossen. De interventie in Somalië, althans de wending in die missie, is voor hem een duidelijke misser. Maar op de Balkan lijkt hij te sympathiseren met interventionisten als Holbrooke, Madeleine Albright en NAVO-opperbevelhebber Clark. Niet uit een overdreven betrokkenheid bij Europese verhoudingen, meer uit medeleven met mensen die zich op het verkeerde moment op de verkeerde plaats bevinden. Ook in Rwanda deed zich zoiets voor. Hier haalt hij stemmen uit de Derde Wereld aan als zou het Westen meer begaan zijn geweest met blanke Europeanen dan met zwarte Afrikanen.

Dergelijke overwegingen hebben intussen de auteur niet tot dit boek aangezet. Wat hem fascineerde was de schaduw van Vietnam over de relaties tussen politici en militairen, en de vraag hoe internationalistisch Amerika was, nu de sovjetdreiging was weggenomen. `Ik wilde dat het boek een manier werd om Amerika te beoordelen op grond van onze beslissingen op het gebied van de buitenlandse politiek.' Hij koos als ijkpunt de humanitaire en morele rampen, de genocides op de Balkan en in Centraal-Afrika. Daar zag hij de spoken van Vietnam in wier greep Washington zich nog altijd bevond. Misschien ook waren het niet zozeer de spoken van Vietnam maar spoken van een oudere datum, spoken die Washington juist Vietnam binnenvoerden.

David Halberstam: War In A Time Of Peace – Bush, Clinton, and the Generals. Scribner, 543 blz. ƒ77,95