Amerika worstelt met patriottisme

Nood breekt wet in de strijd tegen terrorisme, vinden sommige Amerikanen. Anderen vragen om bescherming van vitale vrijheden.

James Moore, Terry Williams and William Clark zitten `ziek' thuis. De drie brandweermannen uit Miami (met samen 46 dienstjaren) zijn bedreigd nadat zij bezwaar hadden gemaakt tegen de Amerikaanse vlaggen die op alle brandweerauto's in hun deel van Florida zijn bevestigd sinds de ramp van 11 september.

Willams vertelde de publieke radiozender NPR: ,,De vlag betekent heel wat anders voor blank Amerika dan voor mij. Als zwarte man hoor ik in dit land tot de onderworpen klasse.'' Hij verwees naar de mishandeling van zijn voorvaderen. ,,Natuurlijk heb ik mijn bedenkingen bij de Amerikaanse vlag.''

Zijn collega Clark: ,,Het is hypocriet. De Amerikaanse vlag geldt als symbool van vrijheid, gerechtigheid en gelijkheid voor allen die worden beschermd door de wetten van dit land. Ook voor wie een afwijkende mening heeft. Maar in dit geval kennelijk niet.''

De aanstaande afrekening met Osama bin Laden en zijn Talibaan-beschermheren werpt zware schaduwen vooruit. Binnen de Verenigde Staten is de strijd al in volle gang met een even onzichtbare vijand: de angst voor herhaling van de terreur. Vliegen is even boeiend geworden als een bezoek aan een beveiligingsbeurs. Ook het gesproken woord is sinds 11 september een omstreden voorrecht. Tussen veiligheid, patriottisme en vrijheid is het pad niet altijd gebaand.

Bill Maher, de satirische gastheer van het middernachtelijke tv-programma Politically Incorrect, is door de perschef van het Witte Huis op de vingers getikt nadat hij had gezegd dat hij het laffer vond kruisraketten van veilige afstand af te vuren, dan zelf mee te sterven met je projectielen. Tom Gutting, columnist van de Texas City Sun, werd ontslagen omdat hij had geschreven dat president Bush de eerste uren na de aanslagen ,,het land rondvloog als een bang kind dat de beschutting van zijn moeders bed zoekt na een nachtmerrie''. Hetzelfde lot overkwam een rubriekschrijver in Oregon. Een hoogleraar in New Mexico werd berispt om kritische uitlatingen aan het adres van de president.

Terwijl president Bush dagelijks een mediageniek uitje maakt om schoolkinderen en andere Amerikanen ervan te overtuigen dat reizen weer veilig is, zegt minister van Justitie Ashcroft bij herhaling dat nieuwe terreuraanslagen allerminst zijn uitgesloten. Hij gaat over de FBI, die het onderzoek naar de daders met zoveel middelen en politie voortzet, dat anders veilige straten in Washington met verhoogde criminaliteit te maken hebben. [Vervolg VRIJHEID: pagina 5]

VRIJHEID

'Strengere wet had terreur niet voorkomen'

[Vervolg van pagina 1] De minister probeert al weken wetgeving door het Congres te loodsen die justitie meer armslag geeft bij het opsporen en voorkomen van complotten tegen Amerikaanse burgers en belangen. Hij wil dat politie en veiligheidsdiensten mogelijke terroristen makkelijker elektronisch kunnen aftappen: ,,Onze afluisterbevoegdheden stammen uit het tijdperk van de telefoon met draaischijf.''

De straffen voor vormen van terrorisme moeten worden verzwaard, vindt Ashcroft. De FBI krijgt ruimere bevoegdheden huizen te doorzoeken. Verder wil de minister verdachte vreemdelingen langer en zonder gerechtelijke goedkeuring kunnen vastzetten (90 in plaats van 45 dagen) en elektronisch bespioneren (een jaar in plaats van drie maanden). De inlichtingendiensten zouden makkelijker uit het buitenland verkregen inlichtingen moeten kunnen gebruiken.

Over deze wetgeving is zwaar touwgetrokken in het Huis van Afgevaardigden en de Senaat. Alle afgevaardigden willen dat veiligheidsdiensten en justitie met meer succes lieden op het spoor komen die massale vernietiging op Amerikaans grondgebied voorbereiden. De niet toevallig uitgelekte berichten dat men begin deze zomer over allerlei aanwijzingen beschikte voor een grote aanslag heeft weinig geruststellend gewerkt.

Waar sommigen haast willen maken en `nood breekt wet' roepen, blijven anderen vragen om een koel hoofd en bescherming van vitale grondwettelijke vrijheden. Een gematigd vooruitstrevende krant als de Atlanta Journal Constitution schreef dat Ashcroft zijn hand overspeelt en ,,in wezen onbeperkte afluisterbevoegdheid voor de FBI vraagt van alle elektronische communicatie, van vaste en mobiele telefonie tot pagers, e-mail en internet. En dat zonder enig gerechtelijke toezicht.''

De bezwaren tegen de gevraagde bevoegdheden komen niet alleen van de erkende pleitbezorgers van burgerrechten, die in Amerika gewoonlijk als links worden gezien. Ook conservatieven, zoals de commentaarschrijvers van The Wall Street Journal, meenden dat Ashcroft de rechten van buitenlanders in gevaar brengt en dat de veiligheidsdiensten zich wel ergens moeten verantwoorden voor zij iemand onder de loep nemen.

Deze week bereikten de commissies voor justitie van beide `kamers' van het Congres afzonderlijk een voorlopig resultaat. Dat gaat nog naar de voltallige vergaderingen, waarna een compromis uit de twee teksten moet worden gedestilleerd. Maar minister Ashcroft is nu al ontevreden. Vooral de bepaling van het Huis van Afgevaardigden dat de extra bevoegdheden wil laten aflopen op 31 december 2003 zit hem dwars: ,,De president heeft gezegd dat deze oorlog lang gaat duren en uithoudingsvermogen vergt. Onze wetgeving moet daar rekening mee houden.'' Ook de beperkte toelaatbaarheid van buitenlandse inlichtingen bevalt hem niet.

De strijd tussen veiligheid en burgerrechten gaat door. The Wall Street Journal waarschuwt daarbij dat de blunders van de FBI, die 11 september mogelijk maakten, niet voorkomen zouden zijn als de voorgestelde wijzigingen in de wet al werkelijkheid waren. Er dreigt een nog grotere `information overload', tenzij de inlichtingendiensten ingrijpend worden gereorganiseerd.

In het Congres formuleert men zijn bezwaren met omfloerste stem. Niemand zoekt de publiciteit, om maar niet voor anti-loyaal te worden aangezien, en vooral niet de volgende terreurdaad op zijn geweten te hebben. De woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken gispte vorige week de gesubsidieerde radiozender Voice of America, die een vraaggesprek met de leider van de Talibaan uitzond.

Veel Amerikanen worstelen met hun patriottische gevoelens. Voor sommigen is kritiek op de president een vorm van vaderlandsliefde, maar het lijkt alleen via nieuwsgroepen op internet te kunnen. De gewone pers gaat niet verder in het bekritiseren van de president dan wat leden van het Congres aandurven.

Het Witte Huis heeft bijna de vrije hand in het boetseren van ,,een groot leider, een opmerkelijk man, die kan luisteren, beslissingen nemen, maar ook goed voor zichzelf zorgt, door zijn geloof, lichamelijke oefening en door goed te eten'', zoals stafchef Andrew Card gisteravond voorging. Vorige week moest men toegeven dat geldige aanwijzingen ontbraken dat de terroristen het op 11 september ook op de president en zijn vliegtuig hadden gemunt. Maar nu zijn waarderingsscore de oorlogshoogte van 90 procent heeft gepasseerd, kan alles. Gisteren werden zelfs twee tv-sessies geëntameerd met de president ten overstaan van ministers, vlaggen en jubelende topambtenaren.

Maureen Dowd van The New York Times, door George W. Bush als `de cobra' aangeduid, ging het allerverst toen zij schreef: ,,In een periode waarin Amerikanen bereid zijn de president buitengewone macht toe te kennen, hem beslissingen over leven en dood toe te vertrouwen, hem aanzienlijke ruimte te geven de burgerrechten in te perken en miljarden uit te geven, vraagt patriottisme juist om vragen en debat.'' Voor die slotsom had zij zich wel een hele column moeten excuseren.