Wijn om tegen aan te leunen

Weinig druivenrassen ontlenen hun naam aan een klimatologisch verschijnsel, maar de nebbiolodruif in het Italiaanse Piemonte is er zo één. `Kleine nevel' is de letterlijke vertaling van het woord, een eufemisme voor de heftige herfstnevels die in het ruige Piemontese landschap voorkomen en te midden waarvan de nebbiolo zijn laatste rijpingsfase moet voltooien. Lang niet elk jaar lukt het om een compleet uitgerijpte wijn te maken van dit druivenras, maar als de zon in oktober goed schijnt, dan komt er de prachtige, stoere Barolo uit tevoorschijn.

Piemonte is een bergachtig gebied, waar het vaak al vroeg sneeuwt. De wijnbouw is alleen mogelijk ten zuiden van Turijn, waar de Po stroomt. Daar worden de bergen heuvels, nog steeds met steile hellingen, maar bruikbaar voor wijnbouw.

De wijnbouw kwam hier laat op gang, want het gebied was in de Romeinse tijd lang het laatste toevluchtsoord van woeste Keltische stammen, die alleen in naam bij het Romeinse Rijk hoorden. Was de rest van Italië al met wijnstokken gecultiveerd rond 200 v.Chr, in Piemonte en het ernaast gelegen Lombardije duurde het ruim een eeuw langer voordat men wijnstokken ging planten. De streek is een paradijs voor wijnliefhebbers die iets anders willen dan chardonnay of cabernet sauvignon: inheemse druivenrassen als nebbiolo, dolcetto, barbera, grignolino en freisa worden hier in ere gehouden.

Het centrum van de Barolo en zijn nauwelijks minder spannende collega Barbaresco ligt ten zuidwesten van Alba. Het dorpje Barolo en het naburige Monferrato vormen het hart van de DOCG, het gebied waar alleen de beste wijnen vandaan komen. De afkorting staat voor Denominazione di Origine Controllata e Garantita, de Italiaanse pendant van de Appellation Contrôlée, maar met een extra beveiliging voor de kwaliteit in de vorm van `e garantita'. De meeste Italiaanse wijnen komen niet verder dan DOC DOCG is alleen voor de topwijnen.

Het bijzondere van Barolo is dat tussen de twee belangrijkste DOCG-gebiedjes een scheiding in de bodemsoort ligt, die de wijnen een verschillend karakter geeft; in de ene bodem zit meer ijzer, in de ander meer magnesium en mangaan. Wijn van de magnesiumbodem is fruitiger, opener en eerder toegankelijk. Die van de ijzerhoudende bodem is in zijn jeugd vrij hard en gesloten.

Van oudsher heeft Barolo de naam een wijn te zijn `om tegenaan te leunen', een wijn die je de eerste tien jaar van zijn leven niet hoeft aan te kijken. In het verleden werden de Barolo's uit beide gebieden gemengd, nu legt men meer de nadruk op de individualiteit van de wijngaard. De complexe geuren van paddestoelen, inkt, donker fruit, teer en vanille vormen een unieke combinatie en zijn onmiddellijk herkenbaar. De wijn houdt jarenlang een intens paarsrode kleur en heeft in goede jaren veel concentraat.

Wie voor het eerst Barolo-oude-stijl proeft (van vóór 1990), is wellicht teleurgesteld. De wijn heeft nogal eens te veel tannines, waardoor hij droog overkomt. Zo'n oude-stijl-Barolo die van een coöperatie komt en ook nog eens uit een moeilijk, regenachtig jaar, kan alleen worden gedronken bij een stevige maaltijd, nadat de wijn is gedecanteerd.

Gelukkig is er, door de internationalisering van de wijnmarkt, een kentering gekomen in de Barolo-productie. Er zijn nog grote coöperaties, zoals Fontanafredda, die Barolo's maken waar we liever omheen lopen, maar veel vooral jongere wijnmakers kwamen in het afgelopen decennium tot de conclusie dat niet iedereen deze drogende smaak van wijn lekker vindt. Door ingrijpende veranderingen in het vinificatieproces (zoals een kortere houtlagering en een inweking van de gistende druiven bij iets lagere temperaturen) heeft de wijn een andere stijl gekregen. Barolo's zijn nog steeds bewaarwijnen, maar ze zijn in hun jeugd wat fruitiger, waardoor ze na tien jaar niet meer zo totaal uitgedroogd zijn. Het blijven `eetwijnen', maar je mond zit niet vijf minuten lang vastgeschroefd door de tannines.