Wapenfabrikant met een slecht geweten

Alfred Nobel (1833-1896) creëerde de Nobelprijzen omdat hij, als uitvinder van dynamiet, vond dat hij iets goed te maken had met de wereld.

Alfred Bernard Nobel, in 1833 geboren in Stockholm, was de zoon van een Zweedse uitvinder-entrepeneur, die de eerste rubberfabriek van Zweden begon. Nadat die in 1837 failliet ging, vluchtte hij eerst naar Finland en later naar St. Petersburg om aan zijn schuldeisers te ontkomen. Daar begon hij een bedrijfje dat met buskruit gevulde landmijnen verkocht aan de Russische regering. Dat ging goed tot de Russen aan het einde van de Krim-oorlog een grote bestelling annuleerden en hij in 1856 opnieuw failliet ging. Hij keerde terug naar Zweden.

In de welvarende jaren die daar tussen lagen had vader Nobel zijn vier zonen privélessen kunnen laten volgen bij Russische geleerden. Die leerden Alfred Nobel vloeiend Russisch, Frans, Engels en Duits en brachten hem kennis over literatuur, filosofie, wiskunde, natuurkunde en scheikunde bij. Hij studeerde ook een jaar scheikunde in Parijs en verbleef daarna zo'n twee jaar in Amerika, waar hij bij een fabrikant van gepantserde oorlogsschepen werkte. Terug in Zweden ging Nobel werken in de springstoffenfabriek die zijn vader inmiddels in de buurt van Stockholm was begonnen.

Nobel experimenteerde daar met een pas ontdekt explosief soort olie: nitroglycerine. Door buskruit te vermengen met deze stof, werden de mijnen die Nobels vader verkocht een stuk krachtiger, maar ook zeer schokgevoelig en daardoor gevaarlijk en onbetrouwbaar. Bij Nobels zoektocht naar een veilige manier om nitroglycerine te ontsteken, explodeerde de hele fabriek en kwamen vijf mensen om het leven, onder wie zijn 21-jarige broer Emil.

Nobel zette zijn onderzoek voort en ontdekte uiteindelijk zowel een veilige ontstekingsmethode als een gesteente dat, gemengd met nitroglycerine, de onbetrouwbaarheid van de explosieve stof reduceert, waardoor het bruikbaar wordt als springstof. Nobel noemde zijn uitvinding dynamiet – naar het Griekse dynamis, dat kracht betekent – en maakte er fortuin mee. Binnen enkele jaren was dynamiet het meest gebruikte explosief ter wereld en werd het gebruikt bij de aanleg van spoorwegen, havens, bruggen, wegen, mijnen en tunnels.

Nobel begon over de hele wereld springstoffabrieken. Uiteindelijk had hij 13.000 werknemers in 93 fabrieken. Er zat slechts tien jaar tussen de uitvinding van dynamiet in 1866 en de voltooiing van zijn industrieel imperium. Nobel bleef intussen doorgaan met scheikundige experimenten. Zo ontwikkelde hij een nieuw soort springstof, nog krachtiger dan dynamiet, verschillende methoden voor het maken van synthetische stoffen en een nagenoeg rookvrij soort buskruit, dat de meeste Europese legers al snel als belangrijkste munitie gebruikten. Uiteindelijk stonden er 355 patenten op zijn naam.

In 1876 kocht de inmiddels steenrijke Nobel een groot huis in het centrum van Parijs, waar hij het grootste deel van zijn resterende leven zou blijven wonen. Hij bleef zijn fabrieken in zijn eentje besturen en werkte vijftien tot twintig uur per dag. Dit deed zijn gezondheid geen goed, hij kreeg migraine, reuma en maagklachten. In zijn vrije tijd schreef hij toneelstukken, romans en gedichten, die op een enkel gedicht na nooit zijn gepublieerd. Hij bezat een omvangrijke bibliotheek met veel literatuur en werken van de grote filosofen.

Nobel is nooit getrouwd en had een karig liefdesleven. Op zijn achttiende was hij in Parijs kortstondig verliefd op een meisje, maar zij stierf plotseling. Later ontmoette hij, eveneens in Parijs, een zekere Alexandra, met wie hij een intense vriendschap opbouwde, maar die zijn huwelijksaanzoek weigerde. In 1853 bezocht hij in Parijs voor het eerst een prostituee, een ervaring die hem opzadelde met schaamte en een schuldgevoel.

Op zijn 43ste plaatste hij een advertentie: `Welvarende, hoogopgeleide, oudere man zoekt volwassen dame met kennis van vreemde talen als secretaresse en hoofd van de huishouding'. De Oostenrijkse barones Bertha von Suttner reageerde en trad bij hem in dienst. Binnen een maand vertrok ze alweer naar Oostenrijk om daar een ander te trouwen, Nobel alleen achterlatend. De twee bleven elkaar wel de rest van hun leven schrijven. De barones werd actief in de Europese vredesbeweging en zou in 1905 zelfs de Nobelprijs voor de vrede winnen.

Kort na het vertrek van Suttner ontmoette Nobel op een zakenreis in Oostenrijk de 20-jarige Sophie Hess, een aantrekkelijk meisje dat bij een bloemist werkte. Hoewel Nobel betreurde dat ze over weinig intellectuele diepgang beschikte en haar daarom ongeschikt vond voor een duurzame relatie, slaagde zij er toch in hem volledig in te palmen. Hij huurde eerst een appartement voor haar in Wenen en haalde haar later naar Parijs, maar ze weigerde Frans te leren. Ze bleek vooral geïnteresseerd in geld en mooie kleren. Nobel verdacht haar van ontrouw. Uiteindelijk verhuisde ze naar Duitsland, waar ze op Nobels kosten in een villa woonde. Nobel schreef haar brieven die hij altijd begon met `mijn lieve kleine kindje' en ondertekende met `je oude brombeer'. In totaal had Nobel zo'n vijftien jaar een verhouding met Hess. Hij bleef haar onderhouden, ook nadat ze in 1890 zwanger raakte van een Hongaarse militair, met wie ze daarna trouwde. Nobel bleef de rest van zijn leven een eenzaam man. Verbitterd stelde hij vast: ,,Mijn enige wens is mij te wijden aan mijn werk, aan de wetenschap. Ik zie alle vrouwen – jong en oud – als hinderlijke indringers die mijn tijd stelen.''

In de ochtend van 13 april 1888 kreeg Nobel een enorme schok toen hij de krant opensloeg. Een Frans ochtendblad had de dood van zijn broer Ludvig, de dag ervoor, verward met zijn overlijden. In zijn eigen necrologie werd Nobel afgeschilderd als `handelaar in de dood', rijk geworden van oorlogsleed en uitvinder van explosieven waarmee hele legers elkaar konden opblazen. Nobel werd behoorlijk depressief van het krantenbericht en raakte geobsedeerd door de gedachte aan het zuiveren van zijn naam tot in alle eeuwigheid. Kort daarna veranderde hij verschillende keren zijn testament tot de uiteindelijke versie uit 1895, waarin de Nobelprijzen – waaronder die voor de vrede – hun oorsprong vinden.

In zijn handgeschreven testament, gevonden onder een stapeltje nieuwe ontwerpen voor wapentuig, legde Nobel vast dat een deel van zijn nalatenschap ten goede moest komen aan personen die in een jaar `de grootste verdienste voor de mensheid' hebben geleverd op het gebied van natuurkunde, scheikunde, geneeskunde, literatuur en vrede. Later heeft de Zweedse centrale bank daar nog de Nobelprijs voor economie aan toegevoegd. Daarnaast kende hij aanzienlijke bedragen toe aan zijn neven en nichten, zijn persoonlijke assistent, zijn bedienden en aan zijn grote liefde, Sophie Hess.

Het testament uit 1895 kwam in de plaats van een eerder opgesteld testament uit 1893, waarin Nobels familie aanzienlijk beter bedeeld werd. Zo moest Nobels neef Emanuel tot zijn ontsteltenis vaststellen dat zijn erfenis niet alleen drastisch verlaagd was, maar dat hij in het nieuwe testament ook niet meer belast was met de rol van executeur-testamentair. Nu viel die eer te beurt aan Ragnar Sohlman, Nobels assistent. Sohlman was chemicus, geen jurist, maar dat was een bewuste keuze van Nobel, die advocaten ,,muggenziftende parasieten'' vond.

Aan de vier handgeschreven velletjes papier die zijn testament vormden was evenmin een jurist te pas gekomen, wat het uitvoeren ervan voor Sohlman een lastige opgave maakte, te meer daar Nobels wettige erfgenamen uitvoering van het testament probeerden te verhinderden ten gunste van zichzelf. Zo moest de stichting die het vermogen van Nobel moest gaan beheren na zijn dood nog worden opgericht en waren de instituten die Nobel in zijn testament belast had met de toekenning van de prijzen daar niet van op de hoogte.

Pas in 1901 waren alle juridische zaken afgewikkeld en kon de eerste Nobelprijs worden uitgereikt. Dat gebeurt sindsdien op 10 december, de dag waarop Alfred Nobel op 63-jarige leeftijd in San Remo in Italië, waarheen hij in 1891 was verhuisd, overleed aan een hersenbloeding.