Twintig jaar wachten of het onderzoek wel klopt

Als iemand een Nobelprijs krijgt, moet zijn onderzoek wel juist blijken. Dat betekent jaren wachten tot daar duidelijkheid over is.

Het moet de nachtmerrie zijn voor elk Nobelprijscomité: het onderzoek waarop de toekenning van een Nobelprijs berust, blijkt op een zeker moment onjuist te zijn of in elk geval minder spectaculair dan het zich oorspronkelijk liet aanzien. Het lijkt me de enige reden dat de wijze heren in Stockholm niet over één nacht ijs gaan. Men laat de tijd zijn werk doen. Die geeft een wetenschappelijk werk immers een stempel van betrouwbaarheid: als collega-wetenschappers er alles aan hebben gedaan om het aan hun eigen uitkomsten te toetsen, er op voort te bouwen en de oorspronkelijke resultaten alleen maar kunnen bevestigen, dan moet het wel goed zijn. Slecht onderzoek wordt niet (lang) geciteerd.

Het comité dat de Nobelprijs voor medicijnen toekent, bouwt nog een extra zekerheid in: vooral de laatste twintig jaar volgt het verrassend consistent de toekenning van de Lasker Awards. Deze prijs, in 1946 ingesteld door het Amerikaanse filantropen-echtpaar Albert en Mary Lasker, geldt voor onderzoek dat heeft geleid tot ,,vooruitgang in inzicht, diagnose, behandeling en genezing van ziekten''. Tussen 1946 en 1996 kreeg meer dan de helft van de winnaars van een Lasker Award een paar jaar later een Nobelprijs. Gemiddeld gaat er zo'n drie jaar overheen. Nog opvallender is dat pas twee keer het omgekeerde gebeurde. Het lijkt dus goed om voor dit jaar alle kaarten te zetten op de drie winnaars van 1998, of wellicht op die van 1997.

De kandidaten voor de Nobelprijs voor medicijnen hebben dus enige `voorkennis', anderen moeten gewoon afwachten. Om te kunnen bepalen hoe lang Nobelwaardige wetenschappers geduld moeten hebben voor ze in aanmerking komen, heb ik voor de periode 1981-2000 in de categorieën natuurkunde, scheikunde en medicijnen uitgezocht in welk jaar of gedurende welke periode de betreffende wetenschappelijke doorbraak plaatshad. In sommige gevallen is dat tot op de dag bekend: wanneer een student van chemicus Richard Smalley op 3 september 1985 in zijn laboratoriumjournaal schrijft: ,,Het C60-signaal is heel sterk!'', weet hij nog niet dat dat zijn hoogleraar elf jaar later een Nobelprijs zal opleveren. Hoewel dit soort eureka-momenten zeer tot de verbeelding spreekt, is er in de meeste gevallen sprake van een periode waarin een aantal spectaculaire ontdekkingen werd gedaan, of waarin een nieuw vakgebied vorm kreeg. Aan de hand van (populair) wetenschappelijke literatuur is geprobeerd zo nauwkeurig mogelijk te bepalen wanneer die periode viel.

Samen met de informatie over het geboortejaar van de winnaar, ontstaat zo allereerst een aardig beeld van de leeftijd waarop een wetenschapper blijkbaar op de top van zijn kunnen staat. Die ligt zo rond de 38 jaar, wat bevestigd wordt door uitkomsten van ander onderzoek. Dat is begrijpelijk als je bedenkt dat elke onderzoeker eerst een leerperiode moet doormaken, meestal gevolgd door een promotie rond zijn achtentwintigste, waarna hij pas zelfstandig aan het werk gaat. Nobelprijswinnaars die wél op jonge leeftijd bij het onderzoek betrokken waren, deden dat vaak aan de zijde van een meer ervaren onderzoeker. Voor alle Nobelprijswinnaars tussen 1981 en 2000 is vervolgens de `wachttijd' bepaald. Die is voor elk van de onderzochte vakgebieden dezelfde en ligt rond de twintig jaar. Zolang moet je dus wachten op het bevrijdende telefoontje uit Stockholm.

Er zijn een paar opvallende uitzonderingen. Als 25-jarige student construeert de Duitser Ernst Ruska in 1931 de eerste elektronenmicroscoop. Mede door zijn inspanningen zal deze vinding uitgroeien tot een van de meest gebruikte laboratoriuminstrumenten ter wereld: van de materiaalkunde tot de biologie wordt er nog altijd dankbaar van gebruikgemaakt. Het zou echter 55 jaar duren alvorens Ruska zijn Nobelprijs (voor natuurkunde) kon ophalen. Enigszins wrang was misschien dat hij die dat jaar moest delen met twee Duitse uitvinders van een andere microscoop, waarmee atomen kunnen worden afgebeeld. Zij hadden slechts drie jaar hoeven wachten.

Wat dat betreft hadden Karl Müller en Alex Bednorz van het IBM-laboratorium in Zürich het nog beter. Op 27 januari 1986 ontdekten zij een keramisch materiaal dat zijn weerstand volledig verliest bij een temperatuur van 238 graden onder nul. Dat lijkt nog enorm koud, maar was toch twaalf graden hoger dan wat tot dan toe mogelijk leek. Ze besluiten deze revolutionaire ontdekking in een vrij obscuur tijdschrift te publiceren, om er niet al te veel aandacht op te richten en zo nog even ongestoord verder te kunnen werken. Dat blijkt onmogelijk: hun werk wordt direct opgemerkt en van de ene dag op de andere wordt in honderden laboratoria overal ter wereld met koortsachtige activiteit gezocht naar andere materialen die bij nóg hogere temperaturen supergeleidend werden. Het is voor het Nobelcomité dan geen moeilijke keuze meer: in 1987, iets meer dan anderhalf jaar na hun ontdekking, krijgen Müller en Bednorz de Nobelprijs.

Hoewel dat wel een uitzonderlijk snelle beslissing was, lijkt het niet onwaarschijnlijk dat in de komende jaren de tijd die verstrijkt tussen ontdekking en toekenning zal afnemen. Wie tegenwoordig beweert iets revolutionairs te hebben gevonden, zal daar onmiddellijk door vakgenoten op worden aangesproken. Met de explosieve groei van het aantal wetenschappers is de kans dat iemand anders op hetzelfde onderzoeksgebied werkt immers veel groter dan vroeger. Verder zijn er talloze conferenties waar iedereen die op een vakgebied werkzaam is, bijeenkomt. Nog belangrijker is misschien wel dat via het internet het nieuws over welke ontdekking dan ook zich onmiddellijk verspreidt, meestal zelfs ver voordat het goed en wel is gepubliceerd.