Schrijversprijs meer politiek dan literair

De Nobelprijs voor literatuur is bedoeld voor schrijvers van `ideale' of `idealistische' boeken. Literaire criteria zijn er nauwelijks.

In 2000 kreeg de Chinees Gao Xingjian de Nobelprijs voor literatuur. Hoewel menigeen verrast was door de keuze van de Zweedse Academie kwam zijn uitverkiezing toch niet uit de lucht vallen. Er zijn parallellen met eerdere Nobellaureaten te trekken. Er zijn lijnen, zij het nauwelijks literaire, te ontdekken in het keuzepatroon.

De Chinese schrijver Gao Xingjian was de laatste schrijver die in de twintigste eeuw de prestigieuze Nobelprijs voor literatuur kreeg. Als schrijver was hij bekend bij insiders in China, Frankrijk, Australië en Zweden. In Nederland stonden in Kreatief (1993) drie van zijn verhalen, vertaald door de sinologe Mieke Bongers. Gao Xingjian (die vanaf 1985 als dissident in Parijs woonde) leefde van de verkoop van zijn op Chinese leest geschoeide aquarellen.

Nobelwatchers hadden een Chinese winnaar voorspeld, al dachten ze eerder aan een vrouw, die niet bij de Chinese autoriteiten in ongenade gevallen was. Maar achteraf gezien was de keuze van de Chinees, inmiddels Frans staatsburger, te voorspellen. Hij had bij zijn uitverkiezing zijn leven in exil gemeen met eerdere winnaars, zoals de Pool Czeslaw Milosz, de Russen Ivan Boenin en Joseph Brodsky en de Nigeriaan Wole Soyinka.

Ook hadden de Nobelwatchers kunnen weten, dat de Zweedse Academie graag de prijs toekent aan schrijvers die op twee gebieden uitblinken. Dubbeltalenten uit het verleden zijn onder anderen Rabindranath Tagore, schrijver en schilder, de tot Zwitser genaturaliseerde Duitser Hermann Hesse, schrijver en schilder, de in Mexico wonende Colombiaan Gabriel García Márquez, schrijver en filmer, en de literaire filosofen Rudolf Eucken, Henri Bergson, Jean-Paul Sartre en Sir Bertrand Russell. Uitgaande van het criterium dubbeltalent maakt ook Hugo Claus, schrijver, filmer en schilder, een kans op de Nobelprijs. De meeste winnaars hebben naast hun kwaliteiten als schrijver ook een duidelijke filosofische interesse. Het spel met woorden en het spel met ideeën gaat bij vrijwel elke Nobelprijswinnaar samen. Op deze grond zou Harry Mulisch, die net als Claus is genomineerd, een winnaar kunnen worden.

Met de uitverkiezing van een Chinees bestrijkt de Nobelprijs voor literatuur nu ook het grootste taalgebied van de wereld. Schrijvers uit grote taalgebieden met van oudsher een culturele inbreng in de wereld en veel lezers zijn favoriet. Zo zijn er tot nu toe 11 Duitstalige, 21 Engelstalige, 10 Spaanstalige en 12 Franstalige laureaten, in totaal 54 winnaars uit vier taalgebieden, op een aantal van 97 winnaars.

Om vergelijking mogelijk te maken kiest het Nobelcomité vaak tussen schrijvers uit verscheidene generaties uit een land. Zo werd in 1995 de Ierse dichter Seamus Heaney gekozen als `kleinzoon' van zijn landgenoot de dichter William Butler Yeats, die in 1923 laureaat werd. Die vergelijking is ook te maken tussen de Noren Björnstjerne Björnson, Sigrid Undset en Knut Hamsun en de Japanners Yasunari Kawabata, en Kenzaburo Oë, die respectievelijk de literatuur van het oude en het nieuwe Japan vertegenwoordigen.

Als er twee landgenoten uit dezelfde generatie gekozen worden, dan zijn dat vaak `tegenpolen' in stijl of in opvatting: het eclecticisme van de Parijzenaar Sully Prudhomme en het provincialisme van Frédéric Mistral uit de Provence, de bondige taal van Ernest Hemingway en de op sociale problematiek gestoelde taal van John Steinbeck.

De meeste laureaten zijn al jaren voor de toekenning van de prijs uitgegeven bij de grote Engelse, Franse, Duitse of Amerikaanse uitgevers. Ook zijn sommige van hun werken al voor hun uitverkiezing verfilmd of op muziek gezet.

Waar blijven de literaire criteria? Is de Zweedse Academie op het literaire vlak altijd gelukkig geweest in haar keuze? De achttien keuzeheren en -dames zijn tegen de mogelijkheid om te definiëren wat literaire kunst is. In hun richtlijnen staat dat literatuur is ,,not only belles lettres, but also other writings which, by virtue of their form and style, possess literary value''. Maar een verdere omschrijving van wat `schone letteren' zijn, wordt nauwelijks gegeven, zegt Kjell Espmark, lid van de Academie, in zijn boek uit 1991 over de criteria achter de keuze.

Alfred Nobel schreef in zijn testament, dat zij die het ideale (soms wel uitgelegd als idealistische) werk in een bepaalde periode produceren, voor de prijs in aanmerking komen. Een ideaal of idealistisch werk is lang niet altijd een literair hoogstandje. In de statuten van de Nobelstichting, het overkoepelende orgaan van alle Nobelprijzen, staat dat de keuze gebaseerd moet zijn op vaardigheid en universaliteit. Ook hier wordt nergens gesproken over literaire uitgangspunten.

Wel kunnen we vaststellen dat de werken van een kandidaat op het tijdstip van hun verkiezing een emotionele waarde hebben voor het lezerspubliek. Zo kon de Academie in 1996 komen tot de onbekende Poolse dichteres Wislawa Szymborska, die toen met haar begrijpelijke gedichten bij velen aansloeg. Zo kon ze ook miskleunen door schrijvers te kiezen die enkele jaren na hun uitverkiezing uit het zicht waren verdwenen.

De werken van Sully Prudhomme, de eerste Nobelprijswinnaar in 1901, Giosuè Carducci, Paul Heyse, Carl Spitteler en Jacinto Benavente moeten in hun tijd geplaatst worden toen ze nog een emotionele of West-Europese culturele waarde hadden. De volgens de huidige normen niet-literair hoogstaande werken van Grazia Deledda, Sinclair Lewis, Pearl Buck en John Galsworthy zijn in Nederland en elders stuk gelezen. Kennelijk hadden hun lokaal gesitueerde romans en verhalen toch betekenis voor lezers uit diverse landen.

De bekend gebleven namen hebben dat vaak te danken aan nieuwe (toneel)interpretaties, zoals bij Bernard Shaw en Eugene O'Neill, of aan de werken die verfilmd zijn, zoals bij Luigi Pirandello en John Steinbeck. Dichters, die de werkelijkheid van hun tijd op hun eigen specifieke manier weergeven, blijven wat langer in de herinnering hangen. We noemen de namen van William Butler Yeats, Thomas Stearns Eliot, Pablo Neruda en in mindere mate Nelly Sachs, die de verschrikkingen van de holocaust in hermetische gedichten heeft vertolkt.

Om zicht te krijgen op de literatuur van met name de twintigste eeuw moeten we niet uitsluitend afgaan op de Nobellaureaten, ondanks grote namen als Thomas Mann, André Gide, William Faulkner, Albert Camus en recentelijk Octavio Paz, Toni Morrison en Günther Grass. We missen dan vele schrijvers, zoals Lev Tolstoj, Algernon Swinburne, Emile Zola, Rainer Maria Rilke, Virginia Woolf, Thomas Hardy en Maxim Gorki, Paul Célan en de giganten Franz Kafka, Fernando Pessoa, Marcel Proust, Ezra Pound en Louis Borges, die om uiteenlopende redenen nooit het Pantheon van de Nobelprijswinnaars voor literatuur hebben bereikt. De 97 winnaars van de Nobelprijs voor literatuur (88 mannen en 9 vrouwen) geven een beeld, maar zeker niet hét beeld van de wereldliteratuur van de laatste honderd jaar.

Stan P.A. Gipman is auteur van 100 jaar Nobelprijs voor literatuur in namen, feiten & cijfers