Modieus en Amerikaans

Sinds 1969 bestaat de Nobelprijs voor de economie, een laureaat waarvan niet kan worden gezegd dat het ongevoelig is voor de laatste mode.

De Amerikaanse kampioenschappen honkbal worden de World Series genoemd. Niet dat de rest van de wereld eraan deelneemt. Maar de Amerikanen veronderstellen zo'n enorme voorsprong in kwaliteit van de eigen honkbalcompetitie dat de titel kampioen van de Verenigde Staten in de praktijk gelijk staat aan de titel wereldkampioen. Vermoedelijk hebben ze gelijk.

Zo is het de laatste decennia ook met de Nobelprijs voor de Economie. In naam dingen daar vanzelfsprekend alle economen uit de hele wereld naar mee. Maar in de praktijk is de winnaar meestal een Amerikaan, of iemand die er al zo lang zit dat hij al bijna een Amerikaan genoemd kan worden.

Dat is nauwelijks verwonderlijk. Zoals Groot-Brittannië dat in de negentiende eeuw was, zo zijn de Verenigde Staten in de twintigste eeuw het centrum geworden van de economische wetenschap. De belangrijkste universiteiten zijn er, en de toonaangevende business schools. En die fungeren als de magneten voor het wereldwijde talent. Wat de economische wetenschap daarbij een geval apart maakt, is dat de markteconomie die er cultureel van oudsher verankerd is, de meeste wetenschappelijke inspiratie oplevert.

Het resultaat is ernaar. Sinds de Nobelprijs voor de economie in 1969 werd ingesteld, waren onder 21 van de 31 winnaars of leden van paren van winnaars native speakers van het Engels of Amerikaans. Bij de laatste tien zat zelfs maar één uitzondering: de ontwikkelingseconoom Amaryta Sen in 1998. Voor de rest zal er altijd een Angelsaksische econoom bij.

De Nobelprijs voor de economie wijkt op verscheidene punten af van de meeste andere Nobelprijzen. Allereerst ressorteert hij onder de Zweedse centrale bank, en hij zegt vaker dan de meeste andere Nobelprijzen iets over de veranderende maatschappij. Wetenschap wordt in de regel gedreven door zichzelf; de wetenschapper staat op de schouders van zijn voorgangers en reikt verder. De economische wetenschap opereert vaak meer gedreven door de `markt' van ideeën en maatschappelijke ontwikkelingen.

Hoewel er legio voorbeelden zijn van winnaars met zuiver theoretische en `waardevrije onderwerpen', is uit de opeenvolging van Nobelprijzen door de tijd de `modieuze' component steeds beter te zien. Vroege voorbeelden zijn er in de persoon van de eerste winnaar, de Nederlandse econoom/econometrist Jan Tinbergen kreeg de prijs samen met de Noor Ragnar Frisch. De tijdgeest was er een van beheersbaarheid en modellering van het economische proces, de discipline waarin Tinbergen een van de reuzen van zijn tijd was. Nadat in de jaren zeventig bleek dat het manipuleren van de vraagkant geen oplossing bleek voor de hardnekkige malaise in de economie, diende zich in de winnaar Milton Friedman in 1976 de dageraad aan van de supply side-economie. Aansprekende voorbeelden van de erkenning van de rol van de econoom in de veranderende denkbeelden over de maatschappij is ook Robert Solow (1987) toen in de zakelijke jaren tachtig niet langer de verdeling van de vruchten van de economische groei, maar het bereiken van die economische groei zelf de steen der wijzen was.

Op de beleggingsmanie die in de jaren negentig elke huiskamer in het Westen in zijn greep zou krijgen, liep vooruit de toekenning van de Nobelprijs aan Harry Markowitz, Merton Miller en William Sharpe. De analyse over de efficiëncy van de financiële markten en de verhouding tussen risico en rendement paste uitstekend in het veranderende tijdsbeeld. Zo ook de theorievorming omtrent de `rationele verwachtingen' van Robert Lucas (1995), en uiteraard de Nobelprijs van 1997 voor Robert Merton en Myron Scholes. De begin jaren zeventig in de steigers gezette principes om de waarde te bepalen van opties en andere afgeleide financiële producten door Scholes en (de in 1997 al overleden) Fischer Black, werd in de jaren tachtig van onschatbare waarde toen de handel en het gebruik van financiële derivaten astronomische vormen aannam op de financiële markten. Merton en Scholes zouden overigens een jaar later direct betrokken zijn bij het bijna-faillissement van het op hun theorieën gebaseerde hedge fund Long Term Capital Management, dat in september 1998 een schok door Wall Street joeg.

Jongste winnaar in de `modieuze' categorie (die overigens een belangrijke uitzondering kent in de toekenning van de prijs in 1985 aan de neo-keynesiaan Franco Modigliani), was de Amerikaan Robert Mundell. Die kreeg in 1999 de prijs voor zijn werk uit de jaren zestig op het gebied van `optimale valutagebieden'. Het is geen toeval dat in dat jaar in Europa de Economische en Monetaire Unie van start was gegaan; het grootste live-experiment ooit op het gebied van valutaire eenwording. Juist de vraag of het euro-gebied een `optimaal valutagebied' is, was onderwerp van een verhit debat binnen Europa in de jaren die aan de start van de muntunie vooraf gingen.

Blijft de trend aan de macht bij de toekenning van de prijs? Dan zou het niet verbazen als de winnaar van 2001 een in Amerika werkzame econoom wordt die baanbrekend werk heeft verricht op een terrein dat raakt aan het debat dat nu gaande is over de voor- en nadelen van globalisering.