Gezin is niet dood 1

De teneur van het artikel `De dood van het gezin' (NRC Handelsblad, 8 september), van Alexander Schuller is dat ,,het gezin heeft afgedaan, ouders en (hun) kinderen elkaar niets meer te vertellen hebben en beiden een heenkomen zoeken in eigen subculturen''.

Schuller stelt dat dit door hem beschreven fenomeen een hedendaagse tendens is in de westerse wereld; hij doet dit op een geestige en aanstekelijke manier en geeft zijn stellingnamen door zijn functie een wetenschappelijke status.

Ik denk dat dit artikel voor vele lezers die zich door hun kinderen voor ongekende problemen zien gesteld, een geruststellende `eye-opener' is.

Maar ik ben er wel beducht voor dat zij uit het verhaal van Schuller het gerieflijke gevoel overhouden dat zij er niets aan kunnen doen, dat hun rol als ouder is afgelopen en dat zij het voor zichzelf maar zo plezierig mogelijk moeten maken.

Met de suggestie, die uit zijn artikel begrepen kan worden, dat het `ouder-zijn' met de puberteit en de adolescentie is afgelopen ben ik het bepaald niet eens. De toenemende belangstelling van jonge mensen voor hun afkomst en voor de erfelijke factoren die zij van hun ouders hebben meegekregen (denk aan adoptie-kinderen en donor-kinderen), is een typisch voorbeeld dat het `ouder-zijn' niet ophoudt.

Het lijkt mij daarom zinnig om Schullers stellingnamen aan te vullen met: voor ouders blijft het een taak dat onze kinderen een zo goed mogelijke start voor hun leven krijgen. Na een periode van losmaking moeten ze met waardering aan hun ouders kunnen terugdenken, als mensen waar zij het wellicht niet mee eens waren, maar die hen lief bleven hebben, hun de ruimte boden en tegelijk bleven staan voor hun eigen waarden.