Een prestigieuze prijs die altijd zorgt voor ruzie

De Nobelprijs voor de vrede is van oudsher om- geven met controverses. De laureaten zelf zijn blij met de publiciteit.

Gek eigenlijk dat maar zo weinig vrouwen de Nobelprijs voor de vrede hebben gekregen. Sinds de onderscheiding in het leven werd geroepen, in 1901, hebben slechts negen vrouwen de prijs gewonnen op een totaal van 97 laureaten. En dat terwijl vrouwen over een aangeboren liefde voor vrede beschikken, met hun moederinstinct en afkeer van geweld, zoals lid van het Nobelcomité Hlavdan Koht in 1931 opmerkte tijdens de jaarlijkse uitreikingsceremonie.

Koht mocht de prijs toekennen aan de tweede winnares uit de geschiedenis van de Nobelprijs voor de vrede, de Amerikaanse vredesactiviste Jane Addams. Zij moest de eer delen, dat wel, en ze werd die dag zo ziek dat ze niet in Oslo aanwezig kon zijn. Maar vlak voor haar dood in 1935 mocht ze toch de beloning voor haar werk incasseren. Vrouwen, zei Koht, zijn vredestichters van nature dankzij ,,die liefde, dat warme, moederlijke gevoel dat moord en oorlog zo afschuwelijk maakt voor iedere vrouw''. Toch zou het nog vijftien jaar duren voordat nummer drie aan de beurt was, na (eerlijk is eerlijk) een vijfjarig intermezzo tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarin de vredesprijs in de ijskast werd gezet tot hoopvoller tijden.

De Nobelprijs voor de vrede heeft zo'n oogverblindend vernis van importantie en gerechtigheid dat het doorgaans lijkt of de onderscheiding ergens van bovenaf, uit een soort tijdloos vacuüm van objectiviteit, neerdaalt op een uitzonderlijke sterveling. Maar het is en blijft een prijs gebaseerd op menselijke voorkeur, een beslissing van een aantal intelligente Noren die uit een wereld vol politici, staatshoofden en activisten iemand eruit pikken die naar hun mening goed werk heeft gedaan. De keuze is subjectief, en dat is niet alleen terug te zien in het handjevol vrouwen en de afwezigheid van Afrikanen die niet uit Zuid-Afrika komen, maar ook aan de reeks onopmerkelijke, lang vergeten prijswinnaars.

Waarom dan zoveel eer voor de Nobelprijs voor de vrede? ,,Ik weet niet of de vredesprijs belangrijker is dan de wetenschapsprijzen, die veel meer effect op de lange termijn hebben'', zegt Burton Feldman, auteur van het eerder dit jaar verschenen The Nobel Prize, per telefoon vanuit Colorado. ,,Maar omdat de prijs politiek belangrijk kan zijn, eist hij de aandacht van de wereld op, net als alle politieke conflicten dat doen.'' Het is een paradoxale onderscheiding, want bedacht door de uitvinder van het dynamiet. Alfred Nobel wilde met zijn vredesprijs pogingen tot multilaterale verbroedering belonen en mensen in het zonnetje zetten die vrede hadden gemaakt of gesloten.

Het pakte meer dan eens anders uit. De vroegere Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger, die tegenwoordig onder vuur ligt omdat hij misdaden tegen de menselijkheid zou hebben gepleegd, ontving in 1973 samen met Le Duc Tho, onderhandelaar namens Noord-Vietnam, de Nobelprijs voor de vrede in verband met hun onderhandelingen over de Vietnamoorlog. Le Duc Tho is de enige winnaar die de prijs heeft geweigerd: er was nog geen sprake van vrede in Vietnam, vond hij. Twee jaar later viel het Noord-Vietnamese leger Zuid-Vietnam binnen.

De in zijn jonge jaren weinig vreedzame Palestijnse leider Yasser Arafat kreeg de prijs in 1994, samen met de Israëlische bewindslieden Yitzhak Rabin en Shimon Peres, nadat ze elkaar enkele maanden eerder voor het oog van de wereldpers de hand hadden geschud op het gazon van het Witte Huis. De vrede in het Midden-Oosten leek nabij, en de Nobelprijs gold als een bevestiging van die hoop. Achteraf gezien bleek dit wishful thinking.

Omdat politiek altijd controversieel is, is de Nobelprijs voor de vrede ook de meest controversiële prijs. De nominatie van Arafat, Rabin en Peres is daar niet alleen een goed voorbeeld van, de toekenning in 1994 illustreerde tevens de verandering die de prijs heeft ondergaan. Was de prijs aanvankelijk een beloning voor goed werk (vrede), aan het begin van de jaren zestig werd het een aanmoediging (vrede sluiten).

De Nobelprijs voor de vrede is een ,,prijs voor gerechtigheid geworden, een prijs die de vrede niet langer eert, maar probeert te bevorderen'', zegt Feldman. ,,De Nobelprijs voor de vrede wordt nu gebruikt om vrede tot stand te brengen.'' Dat betekent dat de prijs steeds vaker zelf onderdeel van een vredesproces wordt, een verschuiving die onvoorziene problemen met zich meebrengt. Als het vredesproces keer op keer mislukt, zoals in Noord-Ierland en het Midden-Oosten, wordt de prijs met dat falen ,,besmet'', aldus Feldman. Bovendien, als je vrede tussen twee partijen wilt aanmoedigen, moet je beide partijen erkennen. De Zuid-Koreaanse president Kim Dae Jung ontving vorig jaar de Nobelprijs voor zijn `zonneschijnpolitiek', Noord-Korea kreeg niets. ,,Terwijl we juist willen dat Noord-Korea vrede sluit.''

De controverses zijn zo oud als de prijs zelf en hebben de belangstelling ervoor alleen maar gestimuleerd. Al in 1906 was de verontwaardiging groot toen de Amerikaanse president Theodore Roosevelt gelauwerd werd voor zijn succesvolle bemiddeling bij de Russisch-Japanse oorlog. Roosevelt, die bepaald geen pacifist was, had enkele jaren eerder een eigen militaire eenheid opgericht om in Cuba te vechten. Ondanks speculaties dat Noorwegen met de toekenning de vriendschap van de VS wilde afdwingen, wist de Nobelprijs zich vanaf toen verzekerd van een plek voor het internationale voetlicht. En Roosevelt had voor elkaar gekregen wat Alfred Nobel als criterium had gesteld: hij had twee landen overtuigd de wapens neer te leggen.

Critici vinden dat de prijs het werk van staatshoofden en activisten verlaagt doordat hun idealisme in de context van een wedstrijd komt te staan. Maar een optimistische marketingmanager zou spreken van een win-winsituatie. Theodore Roosevelt was het eerste staatshoofd dat de onderscheiding ontving; latere winnaars zouden de status van staatshoofd overstijgen door de roem en prestige die de prijs nadien met zich meebracht. De Amerikaanse dominee Martin Luther King (1964), de Indiase non Moeder Teresa (1979), de joodse schrijver Elie Wiesel (1986) en de Birmese activiste Aung San Suu Kyi (1991) zijn dankzij de Nobelprijs voor de vrede moderne heiligen geworden, mensen met een bovenmenselijk aura die vaak ook praktisch genoeg waren om de bijgeleverde mediabelangstelling in hun eigen voordeel te gebruiken.

Er zijn ook fouten gemaakt. Zoals bij de Guatemalteekse activiste voor de rechten van de mens Rigoberta Menchú Tum, die de prijs in 1992 kreeg. Een ,,sentimenteel, politiek gebaar'' van het Nobelcomité, dat zich had laten meeslepen door Menchú's autobiografie, zegt Feldman. Haar boek bleek achteraf veel leugens te bevatten. Op de eigen website geeft het Nobelcomité toe dat de Indiase leider Mahatma Gandhi, de belichaming van het vreedzame verzet, als geen ander de prijs had verdiend. Hij heeft hem om duistere redenen nooit gekregen.

Een van de grote verdiensten van de Nobelprijs voor de vrede is dat hij in staat was Sovjet-dissident Andrej Sacharov en activiste Aung San Suu Kyi te beschermen tegen respectievelijk de Sovjet-repressie en het regime in Birma. Maar zelfs over die kwaliteit valt te twisten. ,,De Noren zien de Nobelprijs als een instituut dat `goed' uitricht, maar er zijn mensen die het beschouwen als de definitieve bevestiging dat iemand iets verkeerd heeft gedaan'', zegt Feldman. ,,Je zou immers evengoed van Rabin en [de Egyptische president] Sadat kunnen zeggen dat ze vermoord zijn wegens de Nobelprijs.''