Een gunstig klimaat voor winnaars

Is de winter een slecht seizoen voor potentiële Nobelprijswinnaars? Onevenredig veel laureaten zijn in de zomer geboren.

Hoewel dit soort vragen eerder tot het domein van de astrologie lijkt te behoren, is er de laatste jaren veel serieus wetenschappelijk onderzoek gedaan naar mogelijke effecten van de geboortemaand op levensverwachting, gevoeligheid voor ziektes, schoolprestaties en als vanzelfsprekend ook intelligentie.

Een goed voorbeeld vormen de talloze studies waarin onderwijspsychologen de prestaties van `vroege' leerlingen – in Nederland kinderen die in augustus/september jarig zijn – vergelijken met die van hun klasgenootjes. Met name in de eerste vier tot zes jaar doen deze leerlingen het gemiddeld wat minder. Dat is begrijpelijk, ze zijn iets minder ver ontwikkeld en zullen daardoor meestal een ondergeschikte positie innemen binnen hun leeftijdsgroep. Dit soort verschillen verdwijnen echter op de langere termijn. Er is bijvoorbeeld geen meetbare invloed meer aan te wijzen op de kans toegelaten te worden tot de universiteit.

Uit ander onderzoek blijkt weer dat ook onze gezondheid ten dele bepaald is door de maand waarin we geboren zijn. Zo heeft iemand die op het noordelijk halfrond in de lente (april-juni) geboren is een grotere kans op schizofrenie. Ook voor autistische aandoeningen en tal van andere ziekten is een soortgelijk verband aangetoond.

Dit zou te maken kunnen hebben met de omstandigheden waarin de baby vlak voor of vlak na de geboorte verkeerde. Moeders die bijvoorbeeld in de herfst (oktober-december) een kind baarden, hadden tijdens hun zwangerschap ruimschoots de beschikking over voldoende verse groente en fruit. Voor hen die een kind kregen in de lente gold dat zeker vroeger in veel mindere mate. Inderdaad blijkt het geboortegewicht seizoensgebonden te zijn: herfstkinderen zijn gemiddeld zwaarder. Dat zou er ook de oorzaak van zijn dat wie in Europa in het najaar geboren is, een hogere levensverwachting heeft. Voor Australië geldt precies het omgekeerde; daar leven lentebaby's gemiddeld enige tijd langer.

Een groep van een paar honderd eminente geleerden biedt wellicht een uitgelezen kans om te toetsen of dit soort `seizoenseffecten' ook opgaat voor de kans ooit een Nobelprijs te krijgen.

Via het Nobelprize Internet Archive konden (bijna) alle verjaardagen van Nobelprijswinnaars – in de categorieën natuurkunde, scheikunde, medicijnen en economie – worden achterhaald, en deze zijn vervolgens geanalyseerd. Wat daarbij op het eerste gezicht opvalt, is dat met name de zomermaanden juni en juli onder een `gelukkig gesternte' lijken te vallen: zowel voor natuurkunde, medicijnen als economie is het aantal winnaars in een van deze maanden tot wel 80 procent hoger dan het gemiddelde.

Nu kan zoiets heel goed volstrekt toevallig zijn: wie vijf keer met een dobbelsteen gooit, heeft immers ook een weliswaar kleine, maar niet verwaarloosbare kans om allemaal zessen te gooien. Om echter statistisch verantwoorde uitspraken te kunnen doen over de verdeling van Nobelprijswinnaars over het jaar zijn de genoemde vier prijscategorieën samengenomen en is vervolgens het totaal aantal bepaald in elk van de vier seizoenen (zie grafiek).

Het voornaamste wat opvalt is dat met name de wintermaanden januari, februari en maart achterblijven, al wijst een statistische analyse uit dat de kans dat zoiets moet worden toegeschreven aan het toeval nog altijd groter is dan 1 procent. Voor deze analyse is in eerste instantie aangenomen dat de verdeling van het aantal geboorten over de maanden van het jaar constant is. De praktijk wijst echter uit dat dat niet het geval is. In Europa bestaat er bijvoorbeeld al heel lang een stabiele piek in het aantal geboorten in de maanden februari en maart, en neemt het aantal gedurende het jaar geleidelijk af.

Voor de Verenigde Staten ligt deze verdeling iets anders, met onder andere een piek rond september. Aangezien naar schatting twee derde van het aantal Nobelprijswinnaars – in elk geval oorspronkelijk – uit Europa afkomstig is, zou men dus mogen verwachten dat de kans dat een Nobelprijswinnaar in de eerste maanden van het jaar geboren is, groter is dan gemiddeld, hetgeen onjuist blijkt. Wanneer voor dit effect wordt gecorrigeerd, neemt de kans dat de gevonden verdeling `toevallig' is, af tot ruim beneden de 1 procent. De wintermaanden bieden blijkbaar ongunstige omstandigheden voor toekomstige Nobelprijswinnaars.

Het is moeilijk om zinnige uitspraken te doen over wat die omstandigheden zijn. De eerste levensmaanden zijn ontegenzeggelijk van groot belang voor de ontwikkeling van een baby. Misschien zijn het inderdaad klimatologische omstandigheden die een optimale ontwikkeling in de weg staan.

Zo'n verklaring zou echter betekenen dat er duidelijke verschillen moeten zijn tussen Nobelprijswinnaars afkomstig van het noordelijk en van het zuidelijk halfrond.

Voorlopig kunnen we daarover alleen maar speculeren.

Met dank aan dr. Pieter Kroonenberg van de Universiteit Leiden