Een fossiel op het dak

Hoe lang zal het duren voordat de skyline van New York weer ter sprake kan komen zonder dat het beeld van twee ineenzijgende torens of van dampende gaten in een verder gaaf stedelijk gebit onmiddellijk op ons collectief netvlies verschijnt? Nog akelig lang waarschijnlijk. De ramp voltrok zich toen ik net een week uit New York verhuisd was en overschaduwt nog steeds de herinneringen uit die stad – als een dreigende havik boven een groep spreeuwen. De zon op het Chrysler building, de net gerestaureerde punten van het Dakotagebouw, de golvende contouren van de Brooklynbridge, de naar mijn weten naamloze wolkenkrabber ergens ter hoogte van de 85ste straat West, die eruit ziet alsof dronken bouwvakkers een paar containers stenen tekort kwamen, je ziet ze voor je en wham... daar boren twee vliegtuigen zich weer in de Twins.

Maar zo laat ik me niet kisten. Op Manhattan liep ik altijd omhoog te kijken, niet zozeer naar de wolkenkrabbers – die had je amper bij ons aan de Upper Westside – maar naar de gekke watertonnen op de minder hoge gebouwen. Misschien is het niet overdreven te zeggen dat ik in de paar jaar dat ik er gewoond heb een echte watertankmaniak geworden ben. En die herinnering aan de skyline van de stad valt niet zomaar door een groep idioten te verpesten.

Wie ze voor het eerst ziet, de watertanks, en ervan uitging dat in Amerika, althans in New York, alles op technisch gebied wel geavanceerder en eigentijdser zal zijn dan bijvoorbeeld in Nederland, kijkt beslist raar op van die dingen. De cederhouten watertonnen, bedoeld om in panden hoger dan zes verdiepingen de waterdruk op peil te houden, doen regelrecht eind-negentiende-eeuws aan, en uit die tijd stammen ze ook, al worden ze tot op de dag van vandaag vervaardigd en onderhouden. Het zijn fossielen uit een vorig tijdperk, maar blijkbaar voldoet het concept nog, dus waarom zou je een simpele maar doeltreffende constructie veranderen? Er komt een hoop oud vakmanschap aan te pas en dat alleen al is in deze wegwerpmaatschappij opmerkelijk. Ik heb het altijd jammer gevonden dat wij niet zo'n mooie kolos op het dak hadden, maar ons huis telde slechts vijf verdiepingen; daar komt het water nog moeiteloos vanaf straatniveau omhoog.

De ronde watertonnen bestaan in alle maten, hebben een grappig puntdakje en staan meestal op een ijzeren stellage om hun gewicht goed over het dak te verdelen. Je kunt er grootmoeders wastobbe in zien, in reuzenformaat, of onbeholpen, door Jules Verne-achtige knutselaars ontworpen ruimteprojectielen, klaar om afgeschoten te worden en aan een lange, ijzeren haak de maan neer te halen, of iets dergelijks, maar mij deden ze altijd denken aan de ronde hutjes in een traditionele kraal ergens in Afrika. Wegens die associatie met bewoonbaarheid hebben ze iets geheimzinnigs.

Vooral wanneer het avondlicht de hoogste woonlagen bestrijkt, terwijl de straten beneden al donker zijn, ontkom je niet aan de indruk dat zich daar hoog boven straatniveau een ander leven afspeelt; dat daar een bedrijvigheid heerst waarvan de argeloze sterveling op de stoep, met het hoofd in zijn nek, geen flauwe notie heeft; een onzichtbaar heen en weer vliegen van hutje naar hutje door wezens die geen trappen, liften of helikopters nodig hebben, dakwezens, een in hoger sferen vertoevende groep uitverkorenen.

Niet altijd staat de watertank open en bloot op het dak. In sommige gevallen heeft de architect er een apart gebouwtje voor ontworpen. In onze voormalige buurt staat een plomp, vierkant gebouw van zo'n twintig verdiepingen hoog, waar het waterreservoir weggewerkt is in een bakstenen huisje midden op het dak, compleet met raampjes die dezelfde versiering rond de kozijnen hebben gekregen als de ramen van het grote gebouw. Naast dat huisje is een onkruidboompje opgeschoten, al hoog genoeg om enige schaduw te werpen. Wie woont dáár nou, ben je geneigd te denken. En soms zag ik rond dat huisje een heel klein mannetje lopen met een piepklein hondje, dat zijn pootje optilde tegen dat boompje. Altijd als ik mijn ogen dichtkneep om ze, vanaf mijn nederige positie beneden, beter in het vizier te krijgen, waren ze, gek genoeg, verdwenen. Maar als ze er zijn, tientallen, honderden van die mannetjes en hun hondjes misschien, als ze daar rondlopen, kunnen ze dan alsjeblieft een oogje houden op de stad?

Boeken over het fenomeen watertank zijn vrijwel niet te pakken te krijgen, die zijn er opvallend weinig – misschien omdat de New Yorkers ze zo doodgewoon vinden. Des te leuker dat er een dezer dagen bij de kleine, Nederlandse uitgeverij De Bosbespers te Oosterbeek een boekje uitkomt met fraaie foto's van watertanks van Ineke Hauer – een Rotterdamse fotografe die tijdens bezoeken aan New York geheel in de ban van het verschijnsel raakte – en prozabijdragen van Nederlandse publicisten, onder wie Henk Hofland, Max Dendermonde, Lisette Lewin, Lucas Ligtenberg, architect Pieter Kuster en ondergetekende.

`Hoog water – watertanks in New York'. 40 blz, ƒ30,-. Te bestellen bij: De Bosbespers. Nassaulaan 38, 6861 DC Oosterbeek. bosbespers@wanadoo.nl