Bin Laden en de hawalla-bankiers

Bij Nederlandse banken zijn deze week twee rekeningen geblokkeerd in het kader van de strijd tegen de financiering van het terrorisme. De geblokkeerde bedragen, samen 500.000 dollar, zijn ongeveer evenveel als de geschatte kosten voor het plegen van de aanslagen op het World Trade Center en het Pentagon. Met niet meer dan een half miljoen is voor vele miljarden schade aangericht. Osama bin Laden, de verdachte genius achter de terreur, staat bekend als een vermogend man, maar zijn al-Qaeda netwerk opereert op een cent en een oude schoenzool.

Wereldwijd is de jacht op het financiële netwerk van het terrorisme geopend. Bankrekeningen worden gescreend aan de hand van lijsten met namen van personen, bedrijven, instellingen en liefdadigheidsorganisaties waarvan banden met Bin Laden vermoed worden. Hoeveel sporen ook worden gevonden, een deel van het financiële netwerk zal onzichtbaar blijven. Volgens experts maakt Bin Laden namelijk ruimschoots gebruik van een ondergronds circuit dat bekend staat als hawalla-bankieren. Hawalla is een Indiaas woord voor het betaalsysteem van de armen. Het fungeert zonder papieren of elektronische sporen achter te laten. Overboekingen hebben plaats op basis van vertrouwen, meestal door gebruik te maken van familie- of clanrelaties. Hawalla-bankieren is wijdvertakt in het Midden-Oosten en Zuid-Azië. Gastarbeiders in rijke landen (inclusief de oliestaten aan de Golf), illegalen in West-Europa, maar ook criminelen maken er ruimschoots gebruik van bij overboekingen naar bijvoorbeeld familie in het land van herkomst. Hawalla-banken gaan vaak verscholen achter de façade van een reisbureau, een shoarmabar, een winkel in tropische producten of een morsige locatie om geld te wisselen.

Die 500.000 dollar kan de organisatie van Bin Laden heel goed in kleine transacties hebben overgemaakt via bemiddeling van hawalla-bankiers zonder dat de FBI of Europol er ooit een vinger achter krijgt. Hawalla-bankieren is de ondergrondse vorm van money transfers. Vorige maand, bij de lancering van de Nederlandse eurocampagne, zei procureur-generaal Steenhuis dat justitie ontdekt heeft dat veel mensen met een crimineel verleden werkzaam zijn bij money transfers. Dit (legale) betaalsysteem wordt volgens Steenhuis gebruikt om zwart geld weg te zetten. Er valt niets tegen te doen, want de kantoortjes voor money transfers vallen in Nederland niet onder het banktoezicht. Ze vallen dus ook buiten de jacht op terrorismerekeningen.

Gealarmeerd door de aanslagen in New York en Washington worden de Westerse regeringen eindelijk wakker voor de omvang van de illegale bedragen die door het financiële circuit stromen. Volgens het IMF bedraagt de jaaromzet van dirty money in het internationale financiële systeem ten minste 500 miljard dollar en wellicht 1.500 miljard, 5 procent van de totale wereldproductie. Dat moet maar eens afgelopen zijn, is de nieuwe politieke consensus.

De coördinatie van de aanpak van zwart geld zal worden opgedragen aan de Financial Action Task Force (FATF), die de belangrijkste industrielanden in 1987 hebben opgezet. De FATF is ondergebracht bij de OESO in Parijs, beschikt over een staf van vijf mensen onder leiding van Patrick Moulette en heeft een budget van 900.000 euro. Aanvankelijk beperkte de taak van de FATF zich tot het bestrijden van witwassen van drugsgeld. Tegenwoordig doet de FATF aanbevelingen aan overheden om geld van criminelen, schurkenpolitici en belastingontduikers te kunnen aanpakken. Jaarlijks publiceert de FATF een zwarte lijst van witwasparadijzen. Op deze lijst staan negentien financiële centra, meest eilandstaatjes in het Caraïbische gebied of de Grote Oceaan, maar ook Rusland en in dit verband pikant Israël.

De ontregeling van de financiële netwerken kan een rol spelen in de actuele strijd tegen het terrorisme. De grote uitdaging op de lange duur is om het gepolitiseerde islamitische fundamentalisme terug te dringen. De strijd tegen het terrorisme is namelijk ook de strijd voor de bevrijding van fundamentalisme.

Het fundamentalistische vijandbeeld jegens het Westen heeft te maken met de sociaal-economische mislukking van de meeste islamitische landen. Hun inkomen per hoofd van de bevolking blijft achter bij het gemiddelde in de wereld, hun bevolkingsgroei behoort tot de hoogste ter wereld, de positie van vrouwen is dramatisch slecht. In de olielanden is de welvaart extreem ongelijk verdeeld tussen schatrijke sjeiks en arme massa's; in landen zonder olie bestaat zelfs die inkomstenbron niet. Experimenten uit de jaren zestig en zeventig met staatssocialisme zijn mislukt, economische en politieke liberalisering hebben nergens een kans gekregen. Op de ranglijst van economische vrijheden scoren de meeste islamitische landen slecht, op de toptien van politieke repressie staan zes islamitische landen.

De trieste conclusie is dat op een enkele uitzondering na de islamitische samenlevingen de aansluiting bij de ontwikkelde wereld hebben gemist en achteropraken in vergelijking met andere ontwikkelingslanden. Specifiek voor de islamitische wereld is de verwevenheid van godsdienst en staat: niet alleen in de theocratisch bestuurde landen, maar ook in formeel seculiere staten hebben geestelijken een politieke invloed zoals nergens anders in de wereld. Dit is van groter betekenis om het radicale fundamentalisme te verklaren dan de platgetreden bewering van sommige columnisten, dat het Israëlisch-Palestijnse conflict de wortel van alle kwaad is. Als de Palestijnse kwestie niet bestond, zou deze morgen worden uitgevonden. Geen beter excuus dan een vijandbeeld om het eigen falen in religieus fundamentalisme te verpakken.

rjanssen@nrc.nl