Meer champagne

Iemand uit New York beschrijft me in een brief de sfeer in de stad. Drie weken na de aanslag nog altijd ,,spookachtig en grimmig''. Talrijk zijn de journalisten uit het buitenland. Voorzichtig, zijdelings vragen ze de New-Yorkers of die niet denken dat ze de aanslagen misschien ook aan zichzelf te wijten hebben. De vraag wordt niet begrepen. Ze zijn zich van geen kwaad bewust. Liever willen zij, en de Amerikanen in het algemeen, zich zo weinig mogelijk met de rest van de wereld bemoeien. En als ze het dan toch doen, heeft de rest van de wereld er dan niet om gevraagd? Hebben ze niet twee keer Europa van de barbaren gered? Hebben ze, toen de Europeanen hun laatste koloniale oorlogen voerden, niet met hun politiek en geld de kant gekozen van de volken die voor hun vrijheid en onafhankelijkheid vochten? Ze hebben de torens van het WTC niet gebouwd als vijandige daad tegen de rest van de wereld. Ze begrijpen de terroristen niet. Ze begrijpen alleen dat er gevaarlijke vijanden zijn die het op hun land en hun cultuur hebben voorzien. Dat geeft hun het recht om zich te verdedigen, terug te slaan. Dat zullen ze doen.

Is dit een naïef wereldbeeld? In 1999, toen de nieuwe economie maar bleef groeien, internet de volmaakte democratie en nog veel meer beloofde, en veertienjarige jongens, doorkneed in de wetenschap van beurs en geldmarkt, nog vóór hun vijftiende miljonair konden worden, verscheen het boek van Thomas L. Friedman, The Lexus and the Olive Tree. De Lexus, grote Japanse auto van alle gemakken voorzien, is hier het symbool van de vooruitgang. De olijfboom die duizend jaar kan worden, staat voor oude culturele tradities.

Mondialisering, is de strekking van Friedmans betoog, is onstuitbaar. Verstandige mondialisering hoedt zich ervoor de olijfbomen om te hakken. Niettemin schrijft hij: ,,Tenslotte heeft de mondialisering een uitgesproken Amerikaans gezicht. Dat heeft de oren van Mickey Mouse, het eet Big Macs, het drinkt Coke of Pepsi, het werkt met een IBM of een Apple laptop. (...) In de meeste landen kunnen de mensen geen onderscheid meer maken tussen Amerikaanse macht, Amerikaanse export, Amerikaanse culturele expansie en de gewone simpele vanille-mondialisering. Dat hoort nu allemaal in één pakket bij elkaar.'' De New York Times bracht in zijn kleurenbijlage een voorpublicatie, op het omslag geïllustreerd met een, in de Stars and Stripes geschilderde, gebalde vuist.

Friedman is jaren correspondent van de New York Times in het Midden-Oosten geweest, en nu columnist van die krant. Een deskundig en verstandig man (al heeft hij, voor Nederlandse begrippen, misschien een wat exuberante stijl). De laatste tijd heeft hij een campagne gevoerd tegen het raketschild, met het argument dat het niet helpt tegen het veel grotere gevaar: dat van het terrorisme. Hij heeft terzake van het raketschild verschrikkelijk gelijk gekregen, maar heeft zich in zijn boek wat mondialisering aangaat vergist. Bij de in Amerika begonnen wereldrevolutie, die van de mondialisering, de economische en de culturele, worden boomgaarden met de grond gelijkgemaakt.

Dat kan wel zijn, zeggen de fundamentalisten van de mondialisering, maar men zal moeten toegeven dat uiteindelijk iedereen in welvaart erop vooruitgaat. The Economist van deze week bewijst (in een bijlage, gewijd aan de mondialisering) dat per slot van rekening en op den duur met de vrije wereldhandel iedere wereldburger erop vooruitgaat, in de armste landen zelfs meer dan in de rijke. Want: ,,In vergelijking met de rijken hebben de armen meer te winnen, en bijna niets te verliezen''. Economisch zal het waar zijn, politiek is het een logica van hocus-pocus-pas. In een vraaggesprek met de Volkskrant verklaart Eurocommissaris Frits Bolkestein: ,,Wij leven in een boze, argwanende, naijverige en jaloerse wereld. Wij in het Westen vormen vijf procent van de wereldbevolking en wij moeten ons verdedigen tegen dat ressentiment''. (Onder meer door invoering van de identificatieplicht; het hoofdonderwerp van het gesprek).

Ja, het zal waar zijn dat wat Friedman zo treffend de `gewone vanille-mondialisering' noemt, voor een groot deel van de wereld onweerstaanbaar is; dat arme mensen meer baat hebben bij economische vooruitgang dan rijke omdat ze minder te verliezen hebben; en dat ze dan toch een `ressentiment' blijven koesteren omdat ze niet zo rijk zijn als wij en nog niet goed hebben geleerd hoe ze met de mondiale vanille moeten omgaan. Maar deze en andere argumenten uit de rijke verscheidenheid die de mondiale discussie na 11 september heeft gebaard, horen per slot van rekening allemaal tot het arsenaal van de consumentencultuur.

Als op 11 september een oorlog is uitgebroken, een nieuw soort, tegen het terrorisme, dan is dat niet alleen een oorlog die met geweld kan worden beslecht. Het andere front is dat van de gemondialiseerde economie, gevolgd door de westerse cultuur. De geschiedenis leert dat de overwinnaars proberen de overwonnenen hun cultuur, hun taal en hun rechtsopvatting op te leggen. Ons Burgerlijk Wetboek draagt de sporen van de Code Civil. En hoe men het wendt of keert, en welke beste bedoelingen en rechtvaardigingen voor de economische mondialisering worden aangevoerd, deze wereldrevolutie is óók een aanval op gevestigde orden. Die verweren zich. Dat mislukt. Dan zijn er verdedigers die hun toevlucht nemen tot terreur.

Dat het Westen dan zijn op zijn beurt verdedigingsmaatregelen neemt – hoewel rijkelijk laat – is vanzelfsprekend. Maar daarmee is het complex van oorzaken niet verdwenen. Een gevolg van de aanslagen is dat in dit deel van de wereld de discussie over de nieuwe verhouding tot de rest nu serieus begint – na de revolutie van de economische en culturele mondialisering. Dat is óók een zelfonderzoek. Hoe vermijden we een recessie die het risico van paniek groter zal maken. Hoe blijven we groeien, terwijl we de rest er nauwer bij betrekken zonder het verzet daar verder te stimuleren, maar integendeel, het door beperkte machtsontplooiing te ontmoedigen? Dat zijn de punten op de politieke en economische, mondiale agenda.

Zijn we er op lange termijn rijp voor, willen we de beste consequenties uit dat zelfonderzoek trekken? Het dilemma wordt absurdistisch getekend door de oproep van de westelijke leiders om, in de woorden van de voormalige trotskist Lionel Jospin, patriottisch te consumeren. Drink meer Moët & Chandon, koop meer kleren van Gucci om het Westen te redden. En aan de andere kant mobiliseren we dan die formidabele militaire macht: om één man, verborgen in een verwoest, verarmd land te arresteren.