Helden op sokken

Op 22 januari 1942, de dag van de achtste Elfstedentocht, vroor het gemiddeld vijftien graden. De monstertocht eiste zijn tol. In de ziekenhuizen lagen tientallen mensen met bevroren tenen, vingers en geslachtsdelen. Drie van hen stierven na enkele dagen aan een tetanusinfectie.

Er waren 32 schaatsenrijders die geen bevriezingsverschijnselen hadden. Zij reden zonder schoenen, maar staken hun in wollen sokken gestoken voeten direct in de schaatsen. ,,Als je alleen sokken draagt hebben je tenen altijd ruimte en circuleert het bloed beter'', licht sporthistoricus Johannes Lolkama (65) uit het Friese Akkrum toe. Morgen verschijnt zijn opus magnum, een ruim 250 pagina's dik boek over de geschiedenis van de Friese Elfstedentocht, waaraan hij bijna 25 jaar werkte. In die jaren interviewde hij ongeveer 2.000 rijders (inclusief 200 rijders die vijf Elfstedenkruisjes verdienden) en alle winnaars.

Uren bracht de politicoloog en lid van de `International Society of Olympic Historians' door in de archieven van de Vereniging de Friesche Elf Steden, het Ryksargyf in Leeuwarden en de Friese Provinciale Bibliotheek. Lolkama: ,,In 1975 kwam ik Sietze de Groot, winnaar in 1942, tegen bij een kaatswedstrijd in Weidum. Die opperde dat ik eens een boek over de Elfstedentocht moest schrijven. In die tijd dachten we dat er nooit meer zo'n tocht verreden zou worden. Langs de route stonden veel zuivelbedrijven, die warm afvalwater op de boezem loosden. IJsgroei was daardoor onmogelijk.''

Lolkama stuitte op menig nieuw feit. Zo ontdekte hij het verhaal over de `rijders op sokken'. ,,Dirk Postmus uit Opende voltooide de tocht zelfs drie keer op deze manier'', zegt Lolkama. ,,De eerste keer wist hij niet dat je ook een stuk moest klúnen, dus bij Harlingen moest hij zijn schaatsen afdoen. Toen heeft een toeschouwer hem anderhalve kilometer op de rug gesjouwd. Postmus betaalde hem daarvoor een kwartje. De volgende keer nam hij klompsokken mee.'' Postmus' collegaschaatsers met bevroren lichaamsdelen lagen in 1942 onder andere in het Leeuwarder Diaconnessenhuis aan de Stadsgracht in Leeuwarden, tegenover de finishplaats. Lolkama: ,,Een oude Akkrumer huisarts vertelde dat hij indertijd arts-assistent in dat ziekenhuis was en dat er een aparte `tenenzaal' was ingericht. Onder de patiënten waren ook SS'ers die hun deelname aan de tocht moesten bekopen met de amputatie van een teen. Als zo'n soldaat dan door de ziekenhuisgangen strompelde zongen de andere patiënten op zaal in koor: ,,Opzij, opzij, de SS marcheert voorbij!''.

Een andere noviteit die Lolkama ontdekte was dat er bij de tweede Elfstedentocht in 1912 onderscheid werd gemaakt tussen profs en amateurs: rijders die eerder om geldprijzen hadden gereden en zij die geldprijzen weigerden. Coen de Koning werd in 1912 winnaar, maar alleen de Sneeker Courant publiceerde een winnaarslijst van de `Afdeeling Beroepsrijders', waaruit blijkt dat Sj. Swierstra uit Offingawier in die categorie eerste werd. Beroepsrijders waren mannen die aan talloze kortebaanwedstrijden meededen en geldprijzen accepteerden. ,,Voor de schaatsbond was je prof, ook al won je maar een gulden per wedstrijd. Schaatsers die amateur wilden blijven weigerden prijzengeld, maar vroegen bijvoorbeeld een waardebon of een schilderij. Dat mocht wel.'' Waarom alleen de Sneeker Courant gewag maakte van de beroepsrijders en andere kranten niet, kon Lolkama niet meer achterhalen. ,,Misschien omdat de winnaar uit Offingawier kwam, dat vlakbij Sneek ligt.'' Hoe dan ook, in 1917 werd de bepaling geschrapt. Voortaan mochten ook rijders die om geldprijzen hadden gereden, meedoen als wedstrijdrijder.

Uit onderzoek van Lolkama blijkt dat twee van de vijf winnaars van de tocht van 1940 (Pact van Dokkum) niet daadwerkelijk over de eindstreep zijn gereden. Sjouke Westra, later als medewinnaar aangewezen, bekende aan Lolkama dat hij de finishlijn niet was gepasseerd. ,,Medewinnaar Dirk van der Duim was sneeuwblind en volgde de baan niet, maar reed rechtdoor en belandde in de rozenstruiken.'' Waar de eindstreep exact lag, was overigens niet duidelijk. Op het moment dat de schaatsers de finish passeerden was er een kortebaanwedstrijd gaande, georganiseerd door de Leeuwarder ijsclub. Duizenden mensen liepen op het ijs. ,,Tegenwoordig is zoiets onmogelijk.'' Piet Keyzer werd als winnaar aangewezen. Auke Adema, Van der Duim, Westra en Cor Jongert werden medewinnaars. ,,Het gerucht gaat dat Prins Bernhard dit op de avond van de prijsuitreiking aan het bestuur van de Elfstedenvereniging heeft voorgesteld.''

Dankzij jarenlange research is hij op menig juweeltje gestuit. Van de 200 foto's in het boek, is de helft niet eerder gepubliceerd. ,,Ik heb prachtige dingen gevonden.'' Waaronder een olieverfschilderij van Joh. Elsinga, die de finish van 1940 aan de voet van de Oldehove vastlegde. ,,Een in Grou ondergedoken Amsterdams echtpaar kocht het in de oorlog. Een uniek schilderij, voor zover ik weet het enige waar een Elfstedenfinish op staat. Zestig jaar wist niemand dat dit bestond, tot het als legaat naar Friesland terugkwam.'' Via via kwam Lolkama erachter dat het in de bestuurskamer van een Friese bank hing.

De barre Elfstedentocht van 1963 vergeet Lolkama nooit. Deze `marathon der ontgoocheling' zoals hij schrijft was een van de zwaarste uit de historie van de ijsklassieker. Van de 568 wedstrijdrijders kregen slechts 58 een Elfstedenkruisje en van de 9.294 toerrijders haalden maar 69 de eindstreep. ,,Dat is minder dan 0,7 procent. Zij hebben eigenlijk een gouden kruisje verdiend.''

Het had weinig gescheeld of er had zich een catastrofe voltrokken op het ijs van de Grote Wielen. Er was een enorme mensenmassa op de been door het bezoek van koningin Juliana, prins Bernhard en prinses Beatrix. Lolkama: ,,Ze kwamen met een helikopter, in die tijd een wereldwonder. Weinig mensen hadden nog televisie. Radioverslaggever Dick van Rijn stond op een auto en riep door zijn microfoon: ,,Mensen ga terug!'' Niemand luisterde.'' Juliana werd door de organisatoren van de Grote Wielen gehaald. Lolkama: ,,Ik hoorde het ijs kraken en zag het op en neer gaan. Godzijdank was het een meter dik, maar ik ben er als een gek vanaf gerend.''

Hij wijt de bijna-ramp aan de eigengereidheid van de toenmalige gemeentebestuurders. ,,Sjirk Velstra van de ijswegencentrale wilde de finishlijn aan de andere kant van het meer hebben, op een halve meter ondergelopen land. Maar de burgemeesters van Leeuwarden en Tytsjerksteradiel wilden hem per se midden op de bevroren plas. ,,Weet u wel dat het daar negen meter diep is'', waarschuwde Velstra. Maar ze waren overbiddelijk. Ach, burgemeester Bontekoe van Tytsjerksteradiel was een eigenwijs man. Een magistraat die het verdomde Fries te verstaan. Als je hem in het Fries aansprak, antwoordde hij niet.''

Johannes Lolkama. `De Tocht der Tochten, tragiek en triomf, 1749-2001'.

Schaatsmuseum Hindeloopen, tentoonstelling over het boek en alle Elfstedentochten, tel. 0514-521683