Dans over het rauwe leven

Wat verbindt de schilderkunst van Francis Bacon met die van Marlene Dumas? Niet iedereen zal direct aan choreograaf Piet Rogie denken. Hij liet zich voor zijn nieuwe Tragic Torso door beide inspireren en dat is herkenbaar.

`Wij zijn vlees, potentiële karkassen' was een geliefde uitspraak van Bacon. Die morbide gedachte heeft Rogie als eerste bijna poëtisch verbeeld in een door hem ontworpen decor. In een stalen frame hangen vijf koeienhuiden op een rijtje en daarboven nog eens vijf. Ter rechterzijde hangen in een frame drie vilten lappen, links in rechte rijen metalen lamellen. Een strak sierlijk kader, opgesteld in de vorm van triptiek zoals Bacon die vaak schilderde.

De vloer is purperrood van kleur, evenals de belichting, een van diens lievelingskleuren. Een enkele keer verandert dat licht in koel blauw wat in combinatie met het rood van de vloer op de huiden van de dansers een naargeestig effect heeft. Helemaal onheilspellend is de aanblik van de tien wanneer ze op de grond liggen gedrapeerd in ronde vormen met hier en daar zachte plooi: als vergankelijk vlees, sensueel en afstotend.

Van Marlene Dumas herken je vooral haar portretten, die verontrusten door de wonderlijke mengeling van mooi en lelijk. Wanneer de dansers in zwart ondergoed in van die hulpeloze poses staan, de heupen ietwat gebogen en de armen verwrongen, stralen ze tegelijkertijd intimiteit en een afstandelijke ondoorgrondelijkheid uit.

Tragic Torso lijkt het meest doordrongen van Bacon. Een enkele keer citeert Rogie letterlijk een van zijn schilderijen. Een danseres die op handen en voeten kruipt lijkt ontleend aan de kreupele figuur aan Paralylac Child walking on all fours (after Muybridge). Maar meer dan het dansant illustreren van beider werk wil Rogie in Tragic Torso onthullen wie we zijn. En naast onze zachte tedere kanten ook het harde en wrede laten zien.

Dat laatste is nieuw voor Rogie. Voorheen was hij vooral in de ban van schoonheid. In Lichaam, Model, Panorama en Icoon etaleerde hij de dansers als bewegende stillevens. Hier overheerst agressie, wat onomwonden blijkt uit een scène waarin danser Rob Peters met zijn kwetsbaar blote torso belaagd wordt door twee `makkers'. Hij ondergaat dat kwellen lijdzaam. Vaker moeten de vijf vrouwen het ontgelden. Een venijnige trap in de buikstreek beantwoordt dat geweld. Dat harde komt wat geforceerd over. Boeiender vanuit choreografisch standpunt zijn enkele trio's, met plastische formaties waarbij een danseres van hand tot hand gaat, alsof ze van zachte was gemaakt is.

Greg Smith componeerde een geluidsdecor van vervormd geschreeuw en dierengebrul met eronder een constant hard mechanisch gedreun: in deze kille en agressieve geluidsbrij klinken bij vlagen de warme stemmen van cello en piano. Dat geluid overheerst en accentueert dat de choreografie – die fragmentarisch van opbouw is en veel snelle acties kent – in zijn geheel wat monotoon blijft, hoe helder ook van vorm.

Pas als het drama door de pure dans heen breekt, wordt Tragic Torso indringend. Hoogtepunt is een zittend uitgevoerd mannenduet. Dan wint bij Rogie uiteindelijk de verstilde schoonheid het van het rauwe en grillige.

Rogie & Company. Tragic Torso. Choreografie: Piet Rogie. Muziek: Greg Smith. Gezien: 27/9 in Theater Lantaren/Venster te Rotterdam. Tournee t/m 5/1.