Berlusconi en verder

Silvio Berlusconi is, zegt hij, ,,verkeerd begrepen''. Hij noemde vorige week de Westerse beschaving superieur aan die van de islamitische wereld. Een storm van kritiek stak op, begrijpelijk, en een paar dagen later sprak de Italiaanse premier een halfhartig excuus uit. Zijn woorden waren ,,uit hun verband gerukt''. Maar het kwaad was geschied. Verwonderlijk is dat niet. Berlusconi's uitspraken, gedaan tegenover Italiaanse journalisten tijdens een officieel bezoek aan Berlijn, zijn ook in hun context zó controversieel en aanstootgevend dat heftige reacties niet konden uitblijven. Uitgerekend in deze tijd waarin Westerse politieke leiders op eieren lopen om het islamitische deel van de samenleving niet gelijk te stellen aan fanatieke moslimterroristen die achter de aanval op Amerika zitten, juist op een moment dat een onbevooroordeelde dialoog zou moeten beginnen over normen en waarden van de islamitische en Westerse beschavingen – op dit precaire ogenblik pookt Berlusconi het vuur onder de cultuur- en geloofsverschillen eens stevig op. De premier had beter zijn mond kunnen houden. Van een politicus op zijn niveau wordt niet alleen handigheid op het juiste moment verwacht, maar ook kiesheid en terughoudendheid.

Dit betekent niet dat het debat onwelkom is. Maar een salvo afvuren met beladen termen als de superioriteit van een beschaving, daarmee de inferioriteit van een andere implicerend, is weinig vruchtbaar. Wat heet: het is het beste recept voor een snel escalerende `beschavingenstrijd', om te beginnen verbaal. Hoe groter de woorden, hoe algemener hun strekking, des te groter is de kans op misverstand en onbegrip – gevolgd door woede. Misschien bedoelde Berlusconi het niet kwaad met zijn gewraakte uitspraken. Het is goed denkbaar dat ze voortkwamen uit onwetendheid, wat net zo erg is.

De terreuraanslagen op New York en Washington hebben duidelijk gemaakt hoe groot de onwetendheid is en hoeveel er nog te winnen valt aan wederzijdse kennis en begrip. Over de islam en de Westerse samenleving, over de vitaliteit van de democratie, over de koran en de bijbel. Kennis en begrip, het klinkt wat soft tegen de achtergrond van de begane misdaad. Het zal ook niet aan iedereen zijn besteed, het laatst van al aan de fanatiekelingen rondom Osama bin Laden. Voor hen en voor andere extremistische moslimgroepen is begrip voor – laat staan: vrede met – ongelovigen, half-gelovigen en andere `schriftvervalsers' de allerergste vorm van heiligschennis. Voor hen bestaan geen nuances. Ze zijn maar op één ding uit: de vernietiging van niet-islamitische machten. Hun legitimatie ontlenen ze aan de woorden (en daden) van de profeet Mohammed. Weldenkende moslims, deskundigen en politieke leiders hebben zich gehaast te verklaren dat de extremisten absoluut niet staan voor het gedachtegoed van islam en koran.

Dat is het uitgangspunt. Het roept meteen de vraag op waar deze godsdienst en zijn heilige boek dan wel voor staan; wat op tal van gebieden de uitleg ervan is; hoe het handelen van de fundamentalisten moet worden verklaard; hoe het zit met het geweld en de islam; waarom in veel delen van de islamitische wereld begrip bestaat voor de provocatieve gebeurtenissen van 11 september. Bij het stellen en beantwoorden van deze vragen – over en weer; het gaat om een `dialoog der beschavingen' – mogen ook minder correcte meningen worden geformuleerd. Als maar voorkomen wordt dat het debat vroegtijdig vastloopt op apodictische uitspraken à la Berlusconi. Die wakkeren `islamofobie' aan.

Tegelijkertijd is het belangrijk de vraag te beantwoorden hoe het komt dat het moslimfundamentalisme zo'n omvang heeft kunnen bereiken. Want van een marginaal verschijnsel is allang geen sprake meer. Van Algerije tot de Filippijnen, van New York tot Amsterdam: voor ultraradicale moslims liggen de grenzen niet in het Midden-Oosten. De beweging, een losse coalitie die onderling verdeeld is, moet honderdduizenden, mogelijk miljoenen aanhangers tellen. Komt hun woede jegens de Westerse samenleving en de renegaten louter voort uit frustratie wegens de politieke en sociaal-economische malaise waarin zij zich bevinden? Of zit er meer achter? Het feit dat Osama bin Laden voor velen een held is, mag bij de westerling verbijstering wekken, het past naadloos in een langdurige ontwikkeling met wortels in het verleden. Doorgronding daarvan hoeft geen begrip te kweken voor een onvergeeflijke moordpartij, maar kan helpen bij het voorkomen van nieuwe terreur.