Nieuw soort mentale hardheid gevraagd

Bij een langdurige militaire operatie tegen terroristen is onvoorwaardelijke politieke steun voor de ingezette militairen cruciaal, ook al worden fouten gemaakt en vallen er slachtoffers onder de burgerbevolking, meent Rob de Wijk.

De Amerikaanse planners die een militaire reactie op de aanslagen van 11 september voorbereiden, drukken het kernachtig uit: A.O.S., all options stink. Toch begint langzamerhand duidelijk te worden welk antwoord de Amerikanen kunnen geven. Maar gelijktijdig groeit de twijfel of de Amerikanen, gesteund door hun bondgenoten, het wel kunnen opbrengen de grote offers te brengen die de strijd tegen de terreur gaat vergen. Oproepen tot terughoudendheid zijn niet alleen ingegeven door terechte angst voor nieuwe terreur en het uiteenvallen van de fragiele coalitie. Ze duiden ook op slappe knieën.

Er zijn nu ruim 300 vliegtuigen en een landstrijdmacht van 30.000 militairen, inclusief een onbekend aantal speciale eenheden in de regio. Op basis van de troepenopbouw en de retoriek die vanuit Washington en Londen klinkt, lijkt een militaire campagne met drie elementen de minst `stinkende' optie.

Het eerste element is de strijd tegen de Bin Laden en zijn handlangers. Uiteraard is het streven erop gericht de terroristenleider zélf, dood of levend in de Verenigde Staten te krijgen, maar daarmee is de dreiging van zijn organisatie niet voorbij. Bin Laden zou in Afghanistan over enkele duizenden goed bewapende en goed getrainde aanhangers beschikken die in tien tot twintig trainingskampen zijn opgeleid. Een mogelijke aanval moet minimaal tot doel hebben om deze kampen te vernietigen. Daarvoor zijn speciale eenheden nodig die eerst verkenningen uitvoeren. Ongetwijfeld liggen om deze kampen mijnenvelden, zodat bombardementen de enige mogelijkheid zijn. De speciale eenheden hebben dan tot taak de bommen met lasers naar hun doel te leiden.

Het tweede element is de strijd tegen de Talibaan zelf, dat mogelijk de pijler onder Bin Ladens organisatie is. Bin Laden is wellicht zelfs de informele leider van de Talibaan. Zo is de `Arabische Brigade' van de Talibaan door Bin Laden gerekruteerd en ingezet tegen de Noordelijke Alliantie en elementen die een einde aan de heerschappij van Talibaanbaas Mullah Omar wilden maken.

Militaire actie tegen de bestuurlijke en militaire basis van de Talibaan is ook de enige manier om een duidelijk signaal aan andere landen te geven dat steun aan terreurbewegingen moet worden gestaakt. Er zijn immers precedenten. Naar aanleiding van een aanslag op een discotheek in Berlijn in 1986 voerden de Amerikanen aanvallen uit tegen Libië, omdat dit land voor de terreur verantwoordelijk werd gehouden. In 1998 vuurden de Amerikanen als vergelding op de aanslagen tegen hun ambassades in Nairobi en Dar-es-Salaam kruisraketten af op doelen in Soedan en Afghanistan. Er zijn aanwijzingen dat na de vergeldingsaanvallen Libië en Soedan hun steun voor terreurbewegingen hebben verminderd.

Een wezenlijk probleem is dat er in Afghanistan weinig te bombarderen valt. Natuurlijk zijn er doelen als vliegvelden, hoofdkwartieren voor leger en luchtmacht en politiek-religieuze bestuurscentra, onder meer in Kabul en Kandahar. Maar dat wil niet zeggen dat het bombarderen ervan veel soelaas biedt. De Talibaan beschikken niet over een goed functionerend, centralistisch politiek-religieus bestuurssysteem omdat het land feitelijk een failed state is. De luchtmacht functioneert amper, terwijl het leger vooral uit milities bestaat met als `hoofdwapensysteem' de pick-uptruck met een machinegeweer. Om zo'n land te verslaan is een contraguerrilla-campagne nodig, waarvoor Westerse krijgsmachten niet ingericht en geoefend zijn. De grootste dreiging zijn overigens de Stinger-luchtdoelraketten die de Amerikanen tijdens de oorlog met de Sovjet-Unie aan de vroegere vrijheidsstrijders, nu de vijand, heeft geleverd.

Daarom vereist de campagne een derde element: steun aan de Noordelijke Alliantie. Een overwinning moet uiteindelijk op de grond worden behaald door lieden die gepokt en gemazeld zijn in onconventionele oorlogvoering. De Noordelijke Alliantie is weliswaar gemotiveerd, maar moddert voort zonder dat een zege in het verschiet ligt. Het invliegen van speciale vliegtuigen die tegen tanks en ter ondersteuning van landstrijdkrachten kunnen worden ingezet, duidt erop dat luchtsteun aan de Noordelijke Alliantie wordt voorbereid. In combinatie met speciale eenheden op de grond die inlichtingen verzamelen en doelen aanwijzen, kunnen Amerikaanse vliegtuigen als luchtmacht voor deze alliantie worden ingezet.

Zo'n oorlog is door westerse mogendheden op deze wijze nooit eerder gevoerd. Daarom valt weinig zinnigs te zeggen over het te verwachten succes. Een wezenlijk probleem is dat westerse krijgsmachten, dus ook die van de VS, de afgelopen tien jaar geen haast hebben gemaakt zich voor te bereiden op onconventionele oorlogen die tegen guerrillastrijders en terroristen moeten worden gevoerd, terwijl deskundigen hier jaar in jaar uit op hebben aangedrongen. De reden is dat Westerse landen de voorkeur geven aan `schone' technologische oorlogen tegen een gelijkwaardige tegenstander, en niets moeten hebben van `smerige' oorlogen die de man-tegen-man-gevechten tegen guerrillagroeperingen en terroristen zijn.

Wel nemen de Amerikanen geen overhaaste stappen en formeren ze een coalitie van landen die niet alleen voor de politieke steun van groot belang zijn, maar cruciaal zijn om vitale inlichtingen te verschaffen voor een definitief operatieplan. Zonder informatie over Afghanistan van Rusland en islamitische landen in de regio is de hele campagne gedoemd te mislukken.

Omdat er een nieuw soort oorlog moet worden gevoerd, zijn ook oude begrippen onbruikbaar. Ook in ons land begrijpen politici als Rosenmöller, sinds de oorlog om Kosovo, wat termen als `collaterale schade' en `proportionaliteit' betekenen. Ze dringen er op aan hier toch maar vooral rekening mee te houden. Hoe nobel deze achterliggende gedachte ook is, de redenering is fout. Allereerst wordt Bin Laden gesteund door een groot deel van het volk en bestaan milities hoofdzakelijk uit burgers met een geweer. Bovendien gebruiken guerrillastrijders en terroristen de bevolking als schild. Daardoor vervaagt in dit type conflict de grens tussen combattanten en non-combattanten. Cynisch geredeneerd zou iedereen die niet aan de kant van Bin Laden en de Talibaan staat het land moeten verlaten en tijdelijk veiligheid in een vluchtelingenkamp moeten zoeken. Zo niet, dan zijn burgerslachtoffers onvermijdelijk.

Ten tweede is proportionaliteit betekenisloos. Proportionaliteit betekent dat het antwoord in overeenstemming moet zijn met de omvang en aard van de aanval en de belangen die voor het slachtoffer, de VS dus, op het spel zijn komen te staan. Juist het beginsel van proportionaliteit leidde tot speculaties over een vergelding met kernwapens. Immers, de terroristen gebruikten vliegtuigen als massavernietigingswapens. Met twee conventionele bommen is het onmogelijk ruim 6000 doden te veroorzaken.

Het gaat om het vinden van een evenwicht tussen de noodzaak hard terug te slaan, zonder dat een anti-Amerikaanse opstand in de islamitische wereld wordt ontketend en zonder dat de fragiele coalitie uiteenvalt. Dit vereist terughoudendheid en een minder dan proportionele reactie.

Het grote risico van de operatie is echter de inzet van landstrijdkrachten. Het wachten is op de eerste slachtoffers en de eerste televisiebeelden van gevangengenomen militairen van speciale eenheden. Zo nodig kunnen de Amerikaanse 82ste Airborn divisie en de 101ste Air Assault divisie ter versterking worden ingevlogen, maar die zijn minder dan de speciale eenheden op contraguerrilla- en antiterreuroperaties ingericht en voorbereid.

Onconventionele oorlogvoering vereist een nieuw soort mentale hardheid van politiek, volk en bondgenoten. Een langdurige operatie waarin grote aantallen slachtoffers kunnen vallen, moet worden geaccepteerd en onvoorwaardelijke politieke steun voor de ingezette militairen is cruciaal, ook al worden fouten gemaakt en vallen er slachtoffers onder de burgerbevolking. Kan die mentale hardheid niet worden opgebracht, dan is de strijd gedoemd te mislukken.

Prof. Dr. Rob de Wijk is defensiedeskundige en verbonden aan het Instituut Clingendael.