Mahlers Zevende groots vertolkt door Hartmut Haenchen

In zijn laatste seizoen als chef-dirigent van het Nederlands Philharmonisch Orkest leidt Harmut Haenchen deze week met Mahlers Zevende symfonie de op twee na laatste schakel uit zijn Mahler-cyclus. In mei is de beurt aan de Negende symfonie, in september 2002 sluit Haenchen de cirkel met de uiterst kostbare Achtste symfonie.

Zonder voorbehoud is de Zevende symfonie Mahlers meest abstracte en minst toegankelijke werk. De harmonieën zijn schurender dan in zijn andere symfonieën en de fragmentarisch aandoende vorm overtuigt in maar weinig van de toch al schaarse opvoeringen die het werk beleeft.

Haenchen liet het werk voorafgaan door een opvallend heroïsche en uitbundige interpretatie van Wagners ouverture Die Meistersinger von Nürnberg, waarnaar Mahler in het slotdeel van de Zevende symfonie expliciet verwijst. Die programmatische band bleek dubbel werkzaam, want een Wagneriaanse fermheid klonk ook in het openingsdeel van de Zevende symfonie, waarin Haenchen het Nederlands Philharmonisch Orkest verleidde tot momenten van mysterieuze, inktzwarte duisternis.

Het probleem van de aartslastige Zevende symfonie schuilt in de overdadige rijkdom aan melodische vondsten en harmonische kleurtekeningen, die in een onuitputtelijke en troebele stroom de revue passeren. De kracht van Haenchens mettertijd en mét het Nederlands Philharmonisch Orkest gerijpte visie schuilde gisteravond in de manier waarop hij binnen een panoramisch vormoverzicht elke inval op eigen merites tot wasdom liet komen. Heroïek dunde met de vanzelfsprekendheid van een stormlucht uit naar ongrijpbare tederheid, wensdroom werd nachtmerrie, een mars een wals, dag nacht en hemel hel. Overkoepelend maakte die aanpak dat grilligheid ambivalentie werd, en dat wat soms brokkelig aandoet, nu een hypernerveuze maar niet onsamenhangende gedachtenstroom leek.

In de beide `nachtmuzieken' (delen twee en vier) realiseerde het Nederlands Philharmonisch Orkest een veelkleurige klankrijkdom; in Mahlers woorden met een aan Rembrandt ontleende lichtval in Nachtmusik 1, een zware erotische geladenheid in Nachtmusik 2 en een fel scheurende lijflijkheid in het Scherzo dat beide muzieken opdeelt.

Haenchen liet het steeds uitstekend spelende orkest kraakhelder aantonen hoe de Zevende, de uniciteit niet te na gesproken, op talloze manieren is verklonken aan de Tweede, de Derde, de Vijfde en de `tragische' Zesde symfonie. Op die manier betoonde hij zich tegelijkertijd zijn eigen pleitbezorger. Wie een cyclus dirigeert, leidt hoorbaar meer dan het geheel der delen.

Concert: Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Harmut Haenchen. Gehoord: 1/10 Concertgebouw, Amsterdam. Herh.: 2/10 aldaar.