Fundament

De knisperende, in het duister oplichtende fietspaden op de Waddeneilanden zijn mij dierbaar. Maar het tuinpad van de Zwitserse schrijver Hermann Hesse (1887-1962) mag er ook zijn. In 1946 kreeg hij de Nobelprijs voor literatuur. Wie leest hem nog? Iedereen die ik kende in de jaren zeventig kende zijn romans Siddharta en Steppenwolf. Gisteravond probeerde ik Siddharta – tot mijn verbazing overleefde het al mijn verhuizingen – opnieuw te lezen. Na dertig bladzijden viel ik in slaap. Niet omdat mijn Duits is verroest – Rilke en Novalis, Max Frisch en Goethe houden mij wel scherp – maar door Hesse's gortdroge schrijfstijl. Op zich is daar niets tegen, maar de auteur dient dan wel iets meeslepends te berde te brengen. Wat zag ik er toen in hemelsnaam in, en tallozen over de hele wereld met mij. Exotische (lees: Indiase) wandtegeltjeswijsheid, de boerse neiging tot onthechting? Keine Ahnung.

Onlangs viel een recent uitgegeven boek van Hesse, In de tuin, in mijn schoot. Hesse blijkt opeens ongewild komisch. In elk geval schoot ik in de lach bij zijn ode aan zieltogende zinnia's – naar mijn smaak een bijzonder ordinaire herfstbloeier. De schrijver dacht er anders over: ,,Niets is zo stralend en gezond in de bloemenwereld als een aantal vers geplukte zinnia's, allemaal van verschillende kleur. Dat knalt gewoonweg van licht en juicht van kleur.'' Bòf; en dan komt het: ,,Bij de zinnia's die ik in de vaas langzaam zie verbleken en sterven, beleef ik een dodendans, een half treurige, half verrukkelijke instemming met de vergankelijkheid, omdat zelfs het vergankelijkste het mooiste, het sterven zelf zo mooi, zo bloeiend, zo sympathiek kan zijn.''

Nou moe, eerst onthals je iets en daarna verlustig je je aan het verflensen. Alsof je een geliefde in de steek laat en daarna op een zolderkamertje krokodillentranen gaat zitten plengen. Een merkwaardige opvatting van realiteit. Aan het slot van het stuk over stervende zinnia's haalt Hesse, anno 1928, nog even uit naar `de moderne Amerikaan', `voor wie een fraai gelakte auto al tot de wereld der schoonheid behoort.'

Hoogtepunt van het boek, een meanderende mengeling van krakkemikkige gedichten, prozaschetsen, dagboeknotities, Libelle-achtige tekeningen en aquarellen, is het befaamde `Iris. Een sprookje.' Een brave boekenwurm dingt naar de hand van een `tere en overgevoelige', wereldschuwe dame. Zij wijst hem niet resoluut af, geeft hem daarentegen een curieuze opdracht: `Ga heen en zorg ervoor dat je in je geheugen terugvindt waar mijn naam je aan doet denken.' Hij peinst en peinst, doolt en doolt. Jaren later, de aanbidder is inmiddels volkomen daas, ontbiedt zij hem aan haar sterfbed. De afloop laat zich raden.

Hermann Hesse's tuinpad te Gaienhofen, aan het Bodenmeer, spreekt door het solide fundament tot de verbeelding. In het begin van de vorige eeuw leidde de schrijver en gewaardeerd boekbespreker, die jaarlijks vijfhonderd boeken ter recensie kreeg toegestuurd, een bewonderaar rond in zijn pas aangelegde tuin. ,,Let u eens op hoe mooi stevig dit pad is. Het zand heeft een stevige ondergrond, maar [die is] niet van steen. Hieronder ligt, keurig opgestapeld, de complete Duitse literatuur van heden.''

Hermann Hesse: In de tuin. Vertaald door Tinke Davids en Koen Stassijns; uitgeverij Atlas, ISBN 9045004127; ƒ39,90