Alleen bijzonder mens kan het CDA redden

De crisis in het CDA is niet alleen het gevolg van het gestage proces van secularisatie, maar ook van het onvermogen om één onderscheidend thema te kiezen. De toekomst van het CDA ziet er somber uit, vindt Bram Peper.

Het revolutiejaar in de moderne Nederlandse politieke geschiedenis is 1994. In dat jaar verloor het CDA bijna 40 procent (!) van zijn electoraat. Nooit eerder is zo'n slag aan een grote volkspartij toegebracht. Die andere volkspartij de PvdA verloor in datzelfde jaar maar liefst 25 procent van zijn kiezers. Die teruggang was dramatisch, maar niet desastreus, want bij benadering eerder vertoond. De jaren zestig waren niet florissant voor de sociaal-democratie, en na de verloren kabinetsformatie van 1977 (het tweede kabinet-Den Uyl kwam er niet) gaven de kiezers de Partij van de Arbeid een forse afstraffing in 1981. Maar de situatie bij het CDA is, in al haar onttakeling, uniek. Want in 1998, na vier jaar oppositie tegen Paars I, verliest deze partij nog eens 15 procent. In twee verkiezingen bijna een halvering van de achterban: van 54 zetels (1989) tot 29 (1998).

De niet te keren maatschappelijke onderstroom die verantwoordelijk is voor de bestendige teruggang, is uiteraard de ontkerkelijking, het losser worden van de band tussen godsdienst en politieke keuze. In de jaren tachtig is de onomkeerbaarheid van dit ontzuilingsproces nog aan het oog onttrokken door een combinatie van factoren. Te denken valt aan het sterke leiderschap van een modern, `wereldlijk' overkomende minister-president als Ruud Lubbers. De economische recessie en bijgevolg de herstructurering van de verzorgingsstaat bevorderde het begrip voor een stevige aanpak. Voeg daarbij de naar binnen gekeerde, verongelijkte opstelling van de PvdA in die tijd, en de lange onzekerheid over het leiderschap in die kring (de opvolging van Den Uyl), dan is het duidelijk dat de CDA-VVD-combinatie de beste papieren had het land toen te regeren. De betekenis van personen voor het electorale succes begint inmiddels te groeien.

De verkiezingen van 1994 lieten nog een opmerkelijk feit zien: de definitieve doorbraak van het (neo-)liberalisme als volksbeweging. De aanhang van de VVD in de periode 1989-1994 groeide met 40 procent, die van D66 met 50 procent, samen goed voor 55 zetels. Die kracht bracht de aarzelende Kok en een tegenstribbelende Bolkestein ertoe met elkaar in zee te gaan. Daarbij geholpen door de ruzie bij het CDA tussen de aftredende aanvoerder Lubbers en de komende man Brinkman. Paars I was geboren.

Zonder het belang van goed leiderschap te willen onderschatten, is het vruchtbaarder een leiderschapscrisis te duiden als de uitdrukking van maatschappelijke krachten, die vaak maar voor een deel beïnvloedbaar zijn. Bij het CDA is dat onmiskenbaar de voortgang van de secularisatie. Daarbij komt dat er voor wie het geloof een beslissende rol wil laten spelen bij zijn politieke opstelling er concurrerende alternatieven zijn. De ChristenUnie, de bundeling van RPF en GPV, voor de `echte' christenen en wereldse partijen als SP en GroenLinks die op een wat `gelovige manier' politiek bedrijven.

De dramatische ontwikkelingen bij het CDA zijn, sociologisch gezien, voorts te duiden als de opstand van de leden tegen de beroepspolitici in Den Haag. De revolte van de leden, van de afdelingen, van de wethouders en gedeputeerden, die vaststellen dat zij in het werk van alledag verantwoordelijkheid nemen voor beleid met een hoog paars gehalte. Leden die vaak vinden dat dat beleid zo gek nog niet is (geweest). Leden die vaststellen dat hun woordvoerders (leiders?) in Den Haag, als het erop aankomt, geen toegang tot de macht hebben.

De spanning tussen de wet van de onmacht in Den Haag en de bestuurlijke werkelijkheid op provinciaal en gemeentelijk niveau waar het CDA wél volop meedoet, is na zeven jaar tot een uitbarsting gekomen. De 70.000 leden van het CDA de grootste politieke partij van Nederland! worden bijna elke dag geconfronteerd met de vaststelling dat zij misschien wel aardig, goed en competent zijn, maar dat hun leiders in Den Haag het beleid niet aantoonbaar weten te beïnvloeden. Dát steekt, elke dag opnieuw, in de maatschappelijke omgeving waarin die CDA'ers zich ophouden. Die spanning, die afstand tussen de leden en Den Haag is te groot gebleken. Van Rij heeft dat gezien en aangevoeld, en is in de zekere verwachting van een nieuwe nederlaag in de aanval gegaan.

Een vergelijking met de Partij van de Arbeid in de jaren tachtig dringt zich op. Ook toen een partij die op Haags niveau geen goed woord overhad voor de bewindvoering van Lubbers cum suis. Maar ook toen ik heb dat van nabij kunnen vaststellen partijgenoten die blijven sjouwen en besturen, en die meestal heimelijk uitgesproken de maatregelen van Lubbers zo slecht nog niet vonden. Trouwens, had vakbondsleider Kok met zijn Akkoord van Wassenaar (1982) Lubbers niet de forse helpende hand geboden? Het Lubbers-gehalte van het lokale en provinciale beleid, waaraan PvdA'ers voluit meededen, was groot. Ook hier die oplopende spanning die door de, uiteindelijk onomstreden, machtswisseling van Den Uyl naar Kok (1986), in 1989 kon leiden tot een coalitie Lubbers-Kok.

Van 1986 tot 1989 bereidt de politieke elite in de Partij van de Arbeid zich voor op de omslag naar regeringsverantwoordelijkheid door het schrijven van `eigentijdse' documenten als Schuivende panelen en Bewogen beweging. Paul Kalma zet in 1987 het socialisme al op sterk water. Maar de echte onderstroom die daartoe dwong waren de leden in en om de gemeentebesturen en Provinciale Staten. Een unaniem (!) congres besloot in 1989 onder leiding van de zakelijke, op resultaten mikkende Wim Kok toe te treden tot een kabinet dat de naam droeg van de vermaledijde Ruud Lubbers. Zo gaat het dus.

Misschien is hier wel een wetmatigheid aan de orde. Die wetmatigheid bestaat uit de vaststelling dat een grote volkspartij zich niet langer dan, aaneensluitend, twee reguliere verkiezingstermijnen kan veroorloven buiten de regering te blijven. Op straffe van ernstige crises, marginalisering. In ieder geval geldt dat voor de Partij van de Arbeid. Zij was in de periode 1958-1965, 1966-1973 en 1982-1989 periodes van zeven jaar in de oppositie. Hieruit kan men afleiden dat de aanloop naar (vervroegde) verkiezingen bij twee termijnen van afwezigheid in de Haagse macht, beslissend is voor het effectief functioneren van een grote volkspartij. Het CDA was en is nu in die fase. De leiderschapscrisis is een uitdrukking van het feit dat het CDA niet weet hoe het, en met wie aan het roer, moet koersen. Verwijzingen naar allerlei initiatieven, rapporten, moties e.d. schieten tekort. Waar het om gaat is dat het CDA er niet in is geslaagd één, de maatschappij bindend en overkoepelend thema als haar `eigendom' te definiëren. In de beleving en beeldvorming van politieke partijen is dat mét een vertrouwenwekkend, robuust leiderschap van beslissende betekenis. Tot de harde kern teruggebracht, staat de Partij van de Arbeid voor het sociale gezicht van Nederland, de VVD voor het vrije gezicht van ons land.

Het CDA had het is nu te laat zich het thema van waarden en normen kunnen toe-eigenen. Als uitwerking van het ethisch reveil van Dries van Agt. Normen en waarden als het cement en de gemeenschappelijke taal van een samenleving. Inmiddels hebben de VVD en de Partij van de Arbeid zich grote delen van dit gedachtegoed eigen gemaakt. Alleen extreem heldere standpunten zijn in de politieke arena nog overdraagbaar. Maar dan komt men uit bij de kleine getuigenispartijen. Daarom heeft D66 het zo moeilijk.

Het ziet er dus somber uit voor het CDA als volkspartij. Structureel zal het (nog verder) op verlies komen te staan door de voortgaande secularisatie. De partij is er niet in geslaagd een gezicht in en voor Nederland te verwerven. En de leiderschapscrisis, die van het bovenstaande het gevolg is, maakt de ontreddering compleet. Alleen een uitzonderlijk Nederlander uitzonderlijk in veel opzichten zou de schade voor het CDA nog enigszins kunnen beperken. De verkiezingen van 15 mei 2002 zijn begonnen.

Dr. A. Peper is oud-minister van Binnenlandse Zaken en lid van de PvdA.