Wraak

Ik kijk naar het uurwerk dat de schouders van Angel Casero bevlekt. Als een mechanische absurditeit getransplanteerd op een menselijkheid van zweet en schuimend speeksel. Een enorm en beangstigend horloge van het merk Festina, de sponsor van de Spaanse renner, dat gedrukt is op de rug van zijn wielershirt. De tijd wil maar niet stilstaan. Het wiebelt en het schommelt, het zoeft en het raast door het Spaanse landschap. Op de rug van Angel Casero.

Laatste koersdag in de Ronde van Spanje. Tijdrit. De man met het Festina-horloge op de wervels heeft haast en moet een eeuwigheid van 25 seconden overbruggen. Venga, venga, venga! Vijfentwintig seconden om in deze ultieme 38 kilometers de gele trui van leider Sevilla af te pakken. Ik bijt op mijn lip en krom mijn tenen. Na twintig kilometers heeft het zoevende uurwerk twaalf seconden op het amarillo (de leiderstrui) terugverdiend. Het rekensommetje is even krankzinnig als opwindend: als niets verandert, komt Casero straks drie of vier seconden tekort om de barbier van Sevilla kaal te kunnen scheren. Ik droom en dwaal. Ik zie Jan Janssen en Herman van Springel, Bernard Thevenet en Hennie Kuiper en, vooral, Greg LeMond en Laurent Fignon. Ik zie me nog een gat in het luchtige jaar 1989 springen toen Greg de meet van de Champs Elysées met zijn voorwiel passeerde. Ik zie me nog euforisch naar het gekonfijte gezicht van Fignon turen. Gestampte citroen met levertraan. Ik voel nog zijn ontstoken testikel in mijn broek en zijn wapperende staartje in mijn nek.

Hoezo niets persoonlijks? Dit was de eerste en laatste Tour de France die ik als journalist ooit volgde. Blij als een kind dat van zijn vader voor het eerst wat wijn in zijn glas mag inschenken. De Tour zou een onvergetelijk feest worden. Maar halverwege de koers, ergens in een oververhitte perszaal in Montpellier, belde de advocaat van de krant: verloren! Het proces dat Laurent Fignon tegen mij en mijn krant had aangespannen was verloren. Vijftigduizend franc boete, geloof ik. Omdat ik over de beschuldigingen van dopegebruik die in de Nederlandse pers waren geuit, had gerapporteerd, zonder te vermelden dat er geen harde bewijzen tegen hem waren gevonden.

Fignon had mijn feestje verpest. Ik begon de man te haten. En als ik hem weer eens in het Village départ tegenkwam, vlak voor het begin van een nieuwe etappe, en als ik weer eens langs die chagrijnige geplooide mondhoeken liep, liet ik me door mijn meest intieme wensen meesleuren. Ik droomde dat ik op een dag spijkers, punaises en hele rollen prikkeldraad onder zijn wielen zou schuiven. Ik vatte het plan op het water voor zijn bidons met geconcentreerd extract van amfetaminen te vermengen. Het frame van zijn fiets met lood te vullen en zijn remkabels af te zagen. Of zou het niet beter zijn om nachtenlang de Franse kampioen in zijn hotelkamer wakker te houden door in zijn telefoon vieze woorden te hijgen? Ik droomde van alles, richtte me tot Lucifer, brandde kaars op kaars in de giftige gebedsruimte die mijn hoofd was geworden. Fignon had niet alleen mijn feestje verpest, hij had ook van mij een slecht mens gemaakt.

De Nederlandse collega's hadden het niet meer. Ze duwden massaal hun microfoons en notitieboekjes onder mijn neus en vroegen me met een blik van originaliteit in de ogen wat er door me heen ging. Ze zetten me naast Erik Breukink op de foto en kopten erboven `de correspondent moet Fignon betalen'. Uiteindelijk liet ik, berekenend en laf, LeMond mijn karwei afmaken. Op de meet van de laatste dag had de Amerikaan zijn achterstand van vijftig seconden op de ontstoken bal van Fignon in een voorsprong van acht tellen omgebogen. Het had natuurlijk nog wreder kunnen zijn – als Lemond zijn triomf met maar één seconde voorsprong had gevierd. Pas later kwam het berouw. Pas later begon ik me schuldbeseffend af te vragen of ik daadwerkelijk niets met Fignons ontstoken testikel te maken had gehad.