Ware schoonheid is bij Henze omgeven door bittere tragiek

Het beeld van een `bittere kooi', symbool voor de liefde die zich ontpopt als een zinloze illusie, kreeg in het gedicht Tu sei la fiba estrema (Je bent mijn laatste sprookje) van Elsa Morante (1918-1985) een centrale plaats. En dus ook in Hans Werner Henze's gelijknamige cantate voor sopraan, kamerkoor en dertien instrumenten uit 1963 in een uitzonderlijk fraaie zetting voor koor a cappella zaterdag moeiteloos het hoogtepunt in de Matinee in het Amsterdamse Concertgebouw.

Henze's `bittere kooi' verwijst naar Bachs koraal Herzliebster Jesus, was hast du verbrochen, in de Matthäus Passion eveneens op een centrale plaats te vinden. Bachs wonderbaarlijke harmonisatie, die beslist afwijkend is, wordt bij Henze subtiel uitgediept tot één luisterrijk labyrint dat je de adem beneemt, met grote inzet glaszuiver gezongen door het Nederlands Kamerkoor. Het onderstreept voor de zoveelste maal dat ware schoonheid wordt omgeven door tragiek. Daarnaast weet dit fragment te overtuigen in zijn beknoptheid, want elders in de cantate vervalt de componist nogal eens in een oeverloosheid.

Maar ook de serenade L'heure bleue (2001), in een opmerkelijke zetting voor zestien musici met een grotendeels ongebruikelijk instrumentarium op 13 september in Frankfurt in première gebracht, kreeg van Henze beheerste proporties mee. Opmerkelijk werken de vermengingen in de lage, rijkgetimbreerde blazers zoals altfluit, basklarinet, oboe d'amore, Engelse hoorn en Wagner-tuba.

Meteen is de toon gezet wanneer na de eerste vier aftastende noten van de Thaïse gong in de oboe d'amore (behalve door Bach maar hoogst zelden gebruikt) de reeks verder tot ontwikkeling komt. Het `blauwe uur' verwijst naar de blauwe kleur Henze spreekt over een `troostend opaal' zoals die 's avonds zichtbaar wordt bij een wolkeloze hemel aan de oevers van de Middellandse Zee. Het verleidde de componist tot schemerige verkleuringen, met ditmaal een citaat uit de Nachtwacht-scène uit Wagners Die Meistersinger von Nürnberg.

Curieus is het slot, want juist wanneer je verwacht dat na de inleiding, in celli en fagotten op gang gebracht, door de vibrafoon ons een nieuwe ontwikkeling te wachten staat, breekt Henze af met een paar plofjes in de harp en de getokkelde pianosnaar. Alsof de componist de opgeroepen schoonheid niet wenst te verstoren, zoals ook de nacht zonder markeringspunt eindigt.

De eveneens naar welluidendheid strevende muziek van Franz Schreker (Kammersymphonie) en Wagner (Siegfried Idyll) was voor mij iets te veel van het goede. Al die klankzinnelijke evenementen werden overigens geen moment aangedikt. Het Radio Kamerorkest koos voor een doorzichtige elegantie, waardoor de Kammersymphonie meer naar Debussy dan naar Strauss trok. Je begrijpt dat Schreker in zijn tijd de populairste van het drietal is geweest. Helaas voelde hij zich steeds meer een gevangene in een kooi, hij kon geen aansluiting vinden bij de atonaliteit, en werd desalniettemin door de nazi's naar de kantlijn gedwongen. Een hartaanval in 1939 maakte aan zijn lijden een eind.

Concert: Radio Kamerorkest en Nederlands Kamerkoor o.l.v. Peter Eötvös. Werken van Schreker, Henze en Wagner. Gehoord: 20/9 Concertgebouw Amsterdam. Radio 4: 2/10 20.30 uur.