Irma la douce ouderwets, maar vaardig

Dit is de wereld van de Montmartre-schilderijtjes, de ansichtkaarten en de toeristische tripjes naar de lichtstad van de jaren vijftig, maar het had in de nieuwe Nederlandse versie van Irma la douce ook de wereld van het vroegere Amsterdams volkstoneel kunnen zijn: de zware jongens en de lichte meiden in hun schilderachtige cafeetje, de sterke arm der wet die met stemverheffing de orde handhaaft, de tropische dwangarbeid van de onschuldig veroordeelde, de liefde die alles overwint, en de pakkende deuntjes die het allemaal o zo licht verteerbaar maken.

De vergelijking dringt zich op door het realistisch ogende kroegje waarvan de kap het liefdesnestje van Irma en haar Nestor blijkt te herbergen, het zesmans-orkestje waarin de accordeon en de trombone de boventoon voeren, en het negenkoppige ensemble dat met aanstekelijk plezier in steeds weer andere rolletjes opduikt. En het is ook geen toeval: deze pittoresk ogende voorstelling ademt immers vooral de smaak van producent Herry Hubert, telg uit het roemruchte Nooy/Blaaser-geslacht dat tot diep in de jaren zeventig een bewonderenswaardige volkstoneeltraditie in leven hield.

Irma la douce werd drie keer eerder in Nederland gespeeld: in 1961 door het Nieuw Rotterdams Toneel met Lia Dorana, in 1962 door het Amsterdams Volkstoneel met Beppie Nooy (!) en in 1973 in een vrije productie met Jenny Arean. Daarna werd de theaterversie van dit muzikale blijspel uit de herinnering verdrongen door de verfilming met Shirley Maclaine, waarin niet alleen de liedjes ontbraken, maar ook de nogal abrupte sprongen in het schetsmatige verhaaltje.

Nu wordt Irma, het hoertje dat verliefd wordt op haar pooier, gespeeld door Janke Dekker. In de vrolijkheid en in de ernst is ze beheerst, en daardoor weet ze heel aannemelijk te maken waarom Irma er in dit kluchtig-criminele milieu zo'n geheel eigen opvatting van zuiverheid en logica op nahoudt. Ze heeft een heldere, iets gevoileerde zangstem, die volop recht doet aan de melodieuze musette-walsjes van Marguerite Monnot.

Veel minder geloofwaardig is Fred Butter als de pooier, die besluit zich als schatrijke hoerenloper te vermommen zodat Irma het voortaan nog maar met één klant hoeft te doen. De rol vergt meer komediantensouplesse dan Butter, voortdurend handenwringend, ten beste geeft. In zijn vermomming is hij wel een grappig geaffecteerd heertje en zoetgevooisd is hij ook, maar als minnaar beent hij in mijn ogen veel te larmoyant heen en weer om het leuk te houden.

Een gelukkige ingreep geldt de vertellersrol van de kroegbaas, die hier een vrouw is geworden. Nelly Frijda, de handen ferm in de zakken van haar jasschort, is de ideale moederkloek, met een vaag glimlachje en een laconiek soort begrip voor alle gedoe om haar heen. Tijdens de tournee deelt ze de rol met Carry Tefsen. En rondom deze drie hoofdfiguren beweegt zich het ensemble, waarin iedereen minstens één treffend typetje te spelen krijgt, en meestal meer.

Het script is door Ivo de Wijs vaardig opgeknapt, zonder de charme van het onvolmaakte origineel te verliezen, en voorzien van extra esprit. In zijn bewerking heet de chef-souteneur een `patjepooier', terwijl het liefdesspel als jeu de boules wordt betiteld.

De regie van André van den Heuvel straalt eenzelfde soort zwier uit, met veel aandacht voor komische details (als de rijke klant zijn paraplu opsteekt, vallen er bankbiljetten uit) en fleurige changementen, waarbij de spelers doe-het-zelvers worden.

Het had allemaal ook anders gekund – strakker, spannender belicht, en suggestief in plaats van schilderachtig. Misschien was dat zelfs beter geweest om Irma la douce een nieuw publiek te geven. Maar ik had wel aardigheid in die sfeer van het oude volkstoneel.

Voorstelling: Irma la douce, van Alexandre Breffort en Marguerite Monnot, door toneelgroep Comedia. Bewerking: Ivo de Wijs. Decor: Ronald de Boer. Kostuums: Hans Langhout. Muziek o.l.v. Ruud Bos. Regie: André van den Heuvel. Gezien: 29/9 in de Schouwburg, Amstelveen. Tournee t/m 3/5. Inl. (020) 6449529, www.comedia-tg.nl