Het CDA: Een gestrande machtsmachine

Het is nog maar kort geleden dat de drie letters CDA stonden voor macht. Na zeven moeizame jaren in de oppositie weet de partij nog steeds niet hoe ze de macht moet terugveroveren.

Van 1917 tot 1994 bleek het onmogelijk om een kabinet te vormen zonder de `machtsmachine' CDA of diens confessionele voorgangers. Het verleidde CDA-Kamerlid Joost van Iersel begin jaren negentig ten tijde van alweer het derde kabinet Lubbers tot de inmiddels befaamde uitspraak ,,We run this country''. Ongeveer gelijktijdig vroeg cabaretier Fons Jansen zich af wanneer de bepaling in de grondwet dat alle macht bij het CDA berust nu eindelijk eens geschrapt zou worden.

Halverwege de jaren zeventig voortgekomen uit de electoraal steeds verder afkalvende Katholieke Volkspartij, Anti Revolutionaire Partij en Christelijk Historische Unie was het CDA in het midden van de jaren tachtig aan een verrassende comeback begonnen. Er werd gecongresseerd over `de wonderlijke wederopstanding van het CDA' en boekwerken verschenen waarin de vraag centraal stond hoe de unieke machtspositie van het CDA in Nederland toch kon worden verklaard. ,,Hoe men ook tegen het CDA aankijkt, een ieder zal met een mengeling van afgunst en bewondering moeten erkennen dat de partij in machtspolitiek opzicht sinds haar oprichting een formidabele prestatie heeft geleverd. Van dorpspolitiek tot de residentie en van provincie tot Europa, het CDA is daar waar de macht is en waar de posten worden verdeeld'', aldus de inleiding bij het in 1993 verschenen boek 'Geloven in macht'.

Een jaar later volgde het keerpunt. Twintig zetels verlies bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer - een ongekend record in de Nederlandse parlementaire historie - waren de opmaat voor een periode van verval en het begin van een interne strijd die, zo hebben de jongste ontwikkelingen duidelijk gemaakt, nog lang niet is gestreden.

Twee paarse kabinetten en vier CDA-partijleiders verder is er van dat eens zo machtige bolwerk nog maar weinig over. De oefening in bescheidenheid die het CDA zichzelf in 1994 na het verkiezingsechec oplegde is uitgelopen op een permanente oefening in crisisbestrijding. Het CDA, ooit zo bezig met het land, is nu vooral met zichzelf bezig. Opeens zijn de apocalyptische woorden uit 1977 van de journalist Dick Houwaart weer razend actueel. Zelf afkomstig uit de CHU schreef hij nadat Dries van Agt als eerste CDA-premier was geïnstalleerd: ,,Voorlopig lijken de dakspanten stevig genoeg om Van Agt het Catshuis in te dragen, maar het blijft de vraag of de fundamenten sterk genoeg zijn om de weelde van een schijneenheid te dragen. Het CDA is als confessioneel verschijnsel een tijdelijke affaire. Het CDA baant de weg voor een kleurloze middenpartij, die voorlopig door de macht van het samengebundelde getal van rooms-katholieken, calvinisten en slappe hervormden nog van enig politiek gewicht zal zijn. Door gebrek aan zwaarte naar boven gevallen. De neergang zal des te vreselijker zijn.''

De neergang die het CDA momenteel doormaakt is inderdaad als `vreselijk' te kwalificeren. Maar het is niet het grauwe midden dat de partij lijkt op te breken. Hoe succesvol dat midden is, bewijzen de uit de antipoden PvdA en VVD samengestelde paarse kabinetten die nu al zeven jaar succesvol regeren. Het is het gebrek aan macht dat het CDA, bij uitstek toch een bestuurderspartij, parten speelt. Het CDA merkt nu dat macht disciplinerend werkt. In plaats van zich als partij te `hervinden' in de oppositie, vond de partij slechts interne tegenstellingen. In het twee jaar geleden verschenen boek `De honden blaffen' van journalist Kees Versteegh waarin de eerste oppositieperiode van het CDA staat beschreven, wordt het probleem van de partij helder verwoord: ,,Al met al werd de oppositie een tamelijk ingewikkelde gymnastiekoefening, omdat het CDA in drie spagaten tegelijk belandde. Op het ene vlak moesten de benen verdeeld worden tussen een linkse en rechtse positie, op een ander vlak tussen een verzuilde en niet-verzuilde en op weer een ander vlak tussen een christelijke en niet christelijke. En daarmee laten we de tegenstellingen tussen de bloedgroepen katholiek en protestant nog ongenoemd''.

De oppositie is voor het CDA tot nog toe op een drama uitgelopen. Afgezien van de trouwe maar slinkende aanhang, zien de kiezers het CDA niet staan. Vooral ook omdat er inhoudelijk vanuit het CDA bezien zo weinig oppositie tegen paars viel te voeren.

Zo was het dus allemaal niet voorzien toen in 1967 de voorzitters van de drie confessionele partijen KVP, ARP en CHU bijeenkwamen om te bekijken of het mogelijk en wenselijk was gezamenlijk te komen tot ,,een formulering van de grondslagen van christelijke politiek''. Uit de drie partijen werd de `Groep van Achttien' gevormd die later het begin zou blijken te zijn van wat na talloze vergaderingen, werkgroepen en niet te vergeten ruzies uiteindelijk in 1980 het CDA zou worden. In de tussenliggende jaren gingen de discussies tussen de partijen van diep tot zeer diep. Cruciaal was de vraag welke rol het evangelie in de nieuwe partij zou moeten spelen. De anti-revolutionairen vertolkten de rechtzinnige lijn, terwijl de katholieken aanzienlijk pragmatischer met `het woord' wensten om te gaan. Evangelie als opdracht of niet, dat was de kwestie. Oftewel: diende het te vormen CDA een exclusief christelijke partij te zijn of ook open te staan voor mensen die zich niet direct tot een bepaalde kerkelijke of maatschappelijke groepering aangetrokken voelden? De vrees voor verwatering was groot bij de Anti Revolutionairen. Tekenend voor de stemming is een open brief die Hendrik Algra, hoofdredacteur van het Friesch Dagblad in 1972 schreef en waarin hij de vloer aanveegde met een van de programmatische notities die een werkgroep had opgesteld. ,,We hebben hier te maken met een humanistisch betoog, op één plaats opgehangen aan het evangelie als aan een spijker''.

Het compromis tussen rekkelijken en preciezen werd drie jaar later gevonden met de resolutie waarin stond dat ,,van leden van het CDA en dus ook van de CDA-vertegenwoordigers wordt gevraagd dat zij aanvaarden dat het evangelie richtsnoer is voor het politieke handelen van het CDA''. In diezelfde resolutie werd tevens gesteld dat het niet op de weg van een politieke organisatie ligt ,,vragen te stellen laat staan een verklaring te eisen omtrent iemands persoonlijke geloofsovertuiging''. Deze tekst weerhield de preciezen er overigens niet van vervolgens een discussie aan te zwengelen over de vraag in hoeverre leden en vertegenwoordigers van de nieuwe partij ,,persoonlijk aanspreekbaar'' waren op de algemene-christelijke grondslag. Een drie jaar durend dispuut volgde dat in de annalen van het CDA bekend staat als de `tweede grondslagdiscussie'.

Dat het CDA uiteindelijk toch tot stand is gekomen, ligt voor een niet onbelangrijk deel aan de `basis' van de drie onderliggende partijen die naarmate het principiële debat aan de top voortduurde, zich meer begon te roeren. `Wij horen bij elkaar' heette het initiatief dat vaart wilde zetten achter een definitieve fusie. In totaal wist deze beweging tachtigduizend handtekeningen te verzamelen. De basis zag de noodzaak van snelle samenwerking op straffe van een verdere marginalisering.

In hun manifest drongen de initiatiefnemers aan op een gemeenschappelijke lijst van KVP, ARP en CHU bij de eerstvolgende verkiezingen hetgeen ook in 1977 gebeurde. Het kabinet onder leiding van de toen bij de achterban weergaloos populaire Dries van Agt dat van 1977 tot 1981 regeerde, leverde het CDA het verlies van één zetel, terwijl zijn tweede kabinet dat het niet langer dan negen maanden volhield de partij op een verlies van nog eens drie zetels zette. Daarmee leek het CDA de vertrouwde spiraal naar beneden weer te hebben opgepakt. Maar in 1986 bleek het samen met de VVD gevoerde no-nonsense beleid van minister-president Ruud Lubbers, die Van Agt in 1982 was opgevolgd, de christen-democraten negen zetels winst op te leveren.

Drie jaar later wist Lubbers die winst te consolideren. Toen was ook de tijd aangebroken dat het CDA als fenomeen werd ontdekt en besproken. ,,In een decennium heeft het CDA een onverwoestbare centrumpositie opgebouwd'', schreef de politicoloog Hans Righart, nadat het derde kabinet Lubbers, ditmaal met de PvdA als coalitiepartner, van start was gegaan.

Maar Lubbers' derde kabinet bleek het begin van de grote crisis in het CDA die tot op de dag van vandaag duurt. Nadat Lubbers gezegd had aan zijn laatste periode bezig te zijn en CDA-fractievoorzitter Brinkman als zijn opvolger naar voren schoof ging het mis. De ongeduldige kroonprins, die het kabinet vanaf de zijlijn opriep tot meer daadkracht en minder stroperigheid, riep bij Lubbers steeds meer irritatie op. Het zou culmineren in een `krankzinnig' laatste half jaar voor de verkiezingen waarbij onder leiding van Lubbers de wildste scenario's werden geconcipieerd om te voorkomen dat Brinkman de nieuwe eerste man van het CDA zou worden. Daartoe was hij zelfs bereid zijn kabinet op te blazen. Een concept-brief waarin hij dit voornemen aankondigde betitelde Lubbers zelf als het `dynamiet-concept'. Het is bij die ontwerp-brief gebleven. In een andere, eveneens nooit verstuurde brief aan de partijtop van het CDA schreef Lubbers over Brinkman: ,,Onze eerste man heeft zijn geloofwaardigheid en gezag geheel verloren. Het is een drama geworden. Het drama is echter nog groter, omdat er niet echt consequenties worden getrokken. Elco heeft slechts één doel, één toetsingscriterium: doorgaan, ook als `de politieke dood' erop volgt. Dat is moedig maar naar mijn overtuiging is nu echt het moment aangekomen dat Elco als lijsttrekker terugtreedt.''

Er werd echter, zoals Lubbers later vaststelde niet meer naar zijn adviezen geluisterd. Een zwaar gehavende Brinkman ging de verkiezingen in en incasseerde een verlies van 20 zetels. Een week voordat het eerste paarse kabinet werd beëedigd stapte hij op als CDA-leider en vertrok uit de politiek,

Enneüs Heerma werd zijn opvolger en daarmee de eerste CDA-oppositieleider. Maar op zijn beurt kreeg Heerma vooral te maken met oppositie tegen zijn persoon vanuit eigen kring. Er bestond binnen de fractie een groep die liever Jaap de Hoop Scheffer als leider wilde hebben dan de bestuurlijk ingestelde Heerma. Anonieme fractieleden uitten in de media regelmatig kritiek op zijn stijl van oppositievoeren. Met `ratten in de fractie' kon hij niet leven zei Heerma eind 1995 in een emotionele vergadering en kondigde zijn ontslag als fractievoorzitter aan. Een ernstig beroep van zwaargewichten uit de fractie deed hem van mening veranderen. Maar het gefluister ging door. Ook de CDA-buitenwacht, waaronder de fractievoorzitter van het CDA in Wassenaar, Marnix van Rij, de latere partijvoorzitter werd ongeduldig. ,,Het moet nu wel gaan komen'', zei hij in de Volkskrant. Als de dolkstoot ervoer Heerma echter een vraaggesprek in maart 1997 met oud-premier Dries van Agt in het televisieprogramma Nova. ,,Te voorzichtig, te prudent en te bangelijk'' was Heerma's manier van oppositievoeren oordeelde Van Agt. Het tv-optreden bleek te zijn geëntameerd door het CDA Tweede Kamerlid Hans Hillen. Heerma had genoeg van alle kritiek en vertrok. Vice-fractievoorzitter Jaap de Hoop Scheffer nam zijn plaats over en werd kort daarna aangewezen als lijsttrekker voor de volgende verkiezingen.

Bij die verkiezingen van 3 mei 1998 verloor het CDA onder leiding van De Hoop Scheffer nog eens vijf zetels. Het tweede paarse kabinet kon zonder al te veel problemen worden gevormd en tot nu toe zonder betekenisvolle oppositie regeren. Sterker nog: de peilingen voorspellen voor het CDA nog steeds geen herstel. Daardoor is de macht nog steeds niet in zicht. Kortom, hoogste tijd voor weer een nieuwe leider.

Bronnen: Hans-Martien ten Napel: Een eigen weg, de totstandkoming van het CDA; Dik Verkuil: Een positieve grondhouding, de geschiedenis van het CDA; Kees Versteegh: De honden blaffen, waarom het CDA geen oppositie kan voeren; Marcel Metze: De Stranding; Bert Steinmetz: Ruud Lubbers, Peetvader van het poldermodel; Kees van Kersbergen (redactie): Geloven in Macht, de christen-democratie in Nederland.