AIDA

Langzaam, tergend langzaam, bijna verstard ontwaakt Aida in de versie van Nikolaus Harnoncourt uit een boze droom. De opera klinkt lange tijd als een vage verre herinnering die na veertig eeuwen diepe slaap nog maar nauwelijks opnieuw tot leven komt. Het verhaal van de opera over de glorietijd van het faraonische tijdperk eindigde immers met een dodelijke anticlimax. Na de jubelende Triomfmars bleek de triomfator Radamès plotseling een verdachte van hoogverraad. Zijn minnares Aida was de dochter van de door hem verslagen koning Amonasro. Radames, die de faraodochter Amneris had kunnen trouwen, hield de eer aan zichzelf, zei niets tijdens zijn proces en werd veroordeeld tot dood door opsluiting. Daar, in zijn graf, was ook Aida en samen stierven zij hun liefdesdood.

Nog meer dan de verrassing dat de `authentieke' dirigent Harnoncourt na Monteverdi, Bach, Mozart en Bruckner nu zelfs Verdi dirigeert treft het dat hij er een suggestieve `auditieve' enscenering bij levert. Het `authentieke' van het statische en onveranderlijke Egypte verbeeldt hij in die bijna stilstaande tempi – deze opname duurt een kwartier langer dan die van een ook `langzame' dirigent als James Levine. De tempoversnelling die Harnoncourt in de barokmuziek en vooral in de Matthäus Passion introduceerde, verkeert hier in zijn tegendeel: het is vaak alsof Mengelberg dirigeert of zelfs Klemperer met zijn ongenaakbare monumentaliteit.

Er is bij Harnoncourt natuurlijk nog meer `authentiek'. Zo heeft hij voor de koperblazers van de Wiener Philharmoniker de originele Egyptische bazuinen laten reconstrueren, maar daarvan merkt men meer bij het lezen van de toelichting dan bij het luisteren naar zijn Triomfmars. Die wordt door de altijd dwarse Harnoncourt natuurlijk paradoxaal de `anti-Triomfmars' genoemd, omdat die `het masker draagt van vertoon van politieke macht'.

Tegendraads is om de Triomfmars heen Harnoncourts kamermuzikale aanpak, de intimiteit van het drama, de onheilspellende rust en stilte, de doorzichtigheid van het klankbeeld met die gespannen en bevangen sfeer. Niet authentiek-Italiaans is echter dan Harnoncourt het dramatische pathos vaak met te weinig orkestrale muziek ondersteunt, de riant musicerende Wiener Philharmoniker spelen in de balans tussen orkest en zangers slechts een ondergeschikte rol. Het koper klinkt wat gedempt, vaak is het alsof wij binnen een tempel zitten en de muziek van buiten komt.

Het beste van deze opname is de derde acte, de Nijlscène: met de fluitmuziek exotisch-zwoel en groen-blauw van sfeer beginnend, voortgaand met het gekwelde O patria mia van Aida en zich vervolgens onontkoombaar fataal ontwikkelend tot de nachtmerrie van Radamès' hoogverraad en arrestatie. Dit alles is groots en meeslepend.

Het is jammer dat voor deze Harnoncourt-opname, in dit Verdi-jaar toch als dubbel-historisch bedoeld, niet een evenwichtiger samengestelde ideale cast is gevonden. In de titelrol is de sopraan Cristina Gallardo-Domâs zeer respectabel, heel prachtig, vooral in O patria mia, maar technisch soms net niet perfect. Vincenzo la Scola is als Radames een vaak wat vlak en geforceerd stemgeluid. Thomas Hampson (Amonasro) is geen typische Verdizanger, maar weet hier toch soms zijn emoties onbekommerd expressief te uiten. Olga Borodina is een superieur zingende Amneris: haar optreden beweegt zich tussen het goddelijke van haar afkomst en het menselijke van haar gefrustreerde menselijke gevoelens.

Ondanks bedenkingen is deze Aida in dit Verdi-jaar een opmerkelijke gebeurtenis, die het denken over de originele Verdi stimuleert. Maar Harnoncourts effect op de Verdi-uitvoeringspraktijk zal niet in de schaduw staan van wat hij eens teweegbracht met zijn eerste Bach-opnamen.

Aida door Wiener Philharmoniker en Arnold Schoenberg Chor o.l.v. Nikolaus Harnoncourt: Teldec 85402 (3 cd)