Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

Verveling van vóór de oorlog

Enkele hardnekkige liefhebbers houden de herinnering aan het lucide en geestige werk van Jean de la Ville de Mirmont levend.

De keerzijde van de Belle Époque, de periode van vrede en burgerlijke welstand die er na de Eerste Wereldoorlog zo verlokkend is gaan uitzien, heet verveling. In 1910 schreef de Duitse dichter Georg Heym in zijn dagboek: `Er gebeurt niets, niets, niets [...]. Werden er maar weer eens barricaden gebouwd. Ik zou de eerste zijn die erop klom, zelfs met een kogel in het hart zou ik nog de roes van de geestdrift voelen. Of als men alleen maar een oorlog begon, desnoods een onrechtvaardige. Deze vrede is zo bedorven, zalvend en vies als boenwas op oude meubelen.'

Veel jongeren, ook buiten Duitsland, dachten er zo over. Toen in de zomer van 1914 de oorlog eindelijk uitbrak, stonden zij te trappelen om zich te melden als vrijwilliger. In Frankrijk was één van hen Jean de La Ville de Mirmont, die eerder dat jaar de kleine roman Les dimanches de Jean Dézert had gepubliceerd. De vooroorlogse verveling krijgt in dit boek een heel bijzondere vorm, die hemelsbreed verschilt van het expressionistische pathos van Georg Heym. Maar het gaat wèl om dezelfde verveling.

Van Jean de La Ville de Mirmont, in 1886 te Bordeaux geboren uit een familie van protestantse aristocraten, had ik nog nooit gehoord. In de literatuurgeschiedenis zou hij zijn verdwenen als in een massagraf (hij sneuvelde al een paar maanden na zijn vertrek naar het front), ware het niet dat enkele hardnekkige liefhebbers de herinnering aan zijn persoon en werk hebben levend gehouden. Dankzij uitgever Georges Coppens en Mirjam de Veth, die een mooie vertaling maakte van La Ville's meesterwerkje, kan nu ook het Nederlandse publiek met hem kennismaken.

De zondagen van Jean Dézert is het verhaal van een jonge ambtenaar, werkzaam op het `Ministerie van Welzijnsbevordering (afdeling materiële voorzieningen)', iemand die niet zozeer een individu is als wel een type. Als karakter (zijn naam verwijst niet toevallig naar de `woestijn') is hij een lege huls, iedereen en niemand tegelijk. Hij woont in een huurkamer met een laag plafond, doet werk waarbij hij zelf `nauwelijks [hoeft] na te denken', terwijl hij zijn `fantasie', voorzover aanwezig, reserveert voor de zondagen.

's Zondags laat hij zijn agenda bepalen door de reclamebiljetten, die hem op straat in handen zijn gestopt. Hij bezoekt een `Oosterse Badinrichting', laat zijn haar knippen in een `Charles-Baudelaire-coupe', eet in een `vegetarisch, anti-alcoholistisch restaurant' dat adverteert met `hygiënische specialiteiten', raadpleegt een helderziende (hoewel de toekomst hem niet interesseert), doet een dutje in de bioscoop en woont in een apotheek een gratis lezing bij over `seksuele hygiëne'. Zo sluit hij tevreden de dag af, onder het ironische motto: `De tijd gaat snel als men zich vermaakt'.

Heupwiegen

Even lijkt alles anders te worden, als de liefde zich aandient. Op een van de volgende zondagen spreekt Jean het meisje Elvire Barrochet aan in de Jardin des Plantes, die `weemoedig stemmende plek', waar de bezoekers in de gekooide dieren hun eigen lot weerspiegeld kunnen zien. `Wat een baken is dat vrouwelijke heupwiegen voor mij met mijn spleen', denkt hij, hoewel er in het origineel niet `spleen' staat maar `ennui'. Dat past ook beter want, zoals Elvire al gauw vaststelt, Jean is geen `kunstenaar'. Hij lijdt niet aan de verveling, hij valt ermee samen, al wil dat nog niet meteen tot het meisje doordringen.

Zelfs voor flirten heeft Jean geen enkele aanleg. Met Elvire (die onwillekeurig zijn `vaste ideeën' overhoop gooit) gaat hij enkel in zee om tijdens de vakantie `iets om handen' te hebben. Dat hij op zijn beurt voor de `verwende' Elvire – ondanks hun verloving die weldra plaatsvindt – niet veel méér betekent wordt ook duidelijk. Zij vindt dat je in het leven `een romantische liefde' moet hebben, zij het `wel in het nette natuurlijk, gezien de positie van mijn vader' – een fabrikant nota bene van grafkransen. `Ik zie met genoegen dat u niet bedorven bent door de boeken die u hebt gelezen', luidt het filistijnse antwoord van Jean.

Deze Elvire (een naam die ooit hartstochtelijk werd bezongen door de romantische dichter Lamartine) is geen Emma Bovary; nadat haar verloofde zich aan een onkarakteristieke liefdesverklaring vol romantische clichés te buiten is gegaan, ontdekt zij diens `lange gezicht' en verbreekt prompt de verloving. Het `lange gezicht' is immers dat van de verveling, die zij – onbewust – via haar verloving had willen verdrijven. Maar een `lang gezicht' is ook de reactie op een teleurstelling.

Dat laatste slaat alleen meer op de schrijver dan op zijn personage. Jean de La Ville de Mirmont heeft wel iets van Flaubert, die in Madame Bovary zijn romantische inborst van zich af probeerde te schrijven. Dat La Ville een romanticus was blijkt in De zondagen van Jean Dézert hoogstens indirect; in de gedichten die hij daarnaast schreef (en die postuum werden gepubliceerd onder de veelzeggende titel L'horizon chimérique) komt de romanticus rechtstreeks aan het woord, mijmerend over de zee en de belofte van `het onbekende' die de haven van zijn geboortestad Bordeaux belichaamt.

In die gedichten doet La Ville zich kennen als een epigoon van Baudelaire. Op hem is de `spleen', dé geestesgesteldheid van de dichter van Les fleurs du mal, zonder meer van toepassing, niet op zijn hoofdpersoon (het `Baudelaire-kapsel' dat Jean zich laat aanmeten, vindt hij niet voor niets `afschuwelijk'), ook al vertonen beider levens de nodige overeenkomsten. Ook La Ville was een ambtenaar, die bij zijn werk nauwelijks hoefde na te denken; hij had zijn kantoorbaantje alleen om zich in zijn vrije tijd ongehinderd aan de literatuur te kunnen wijden. Maar voor een carrière in de letteren voelde hij niet. Aan zijn vader schreef hij: `Tegenwoordig verwerft men slechts bekendheid via methoden waartoe ik mezelf niet in staat acht. Een boek wordt op dezelfde manier op de markt gebracht als hoestpastilles of Bensdorp cacao'.

Absurditeit

De literatuur was dus ook een bedrijf geworden. Of een kantoor. Wie dat eenmaal doorheeft realiseert zich de hachelijkheid van alle naïeve romantiek. La Ville vindt een andere uitweg: die van de ironie en de absurditeit, waarbij het schrijven zijn eigen beloning vormt. Als het lukt tenminste. In De zondagen van Jean Dézert is het beslist gelukt, getuige de even geestige als laconieke luciditeit van de tekst, die vooruit wijst naar Raymond Queneau, de schrijver van Le dimanche de la vie. De `zondagse' held of liever anti-held van deze roman uit 1952 is een post-hegeliaanse `wijze', en als zodanig een literaire nazaat van Jean Dézert, wiens livre de chevet een verhandeling over het confucianisme blijkt te zijn.

Of La Ville zíjn hoofdpersoon eveneens als een `wijze' wenste te beschouwen valt overigens te betwijfelen. Daarvoor lijkt Jean Dézert te zeer op het onderwerp van Edgar Allan Poe's essay `The man of the crowd'; in de hoofdpersoon van zijn roman heeft La Ville deze lege, onpeilbare `massamens' opnieuw tot leven gewekt. Een leven dat zo anoniem blijft, dat degene die het leidt niet eens meer kan sterven. Ziedaar de paradoxale conclusie van het slothoofdstuk, waarin Jean na de verbroken verloving bedenkt hoe hij op `klassieke' wijze met zijn liefdesverdriet dient om te gaan.

Er zijn drie mogelijkheden, meent hij: je gaat aan de boemel, verslingert je aan de drank of pleegt zelfmoord. Nadat de eerste twee mogelijkheden zijn beproefd en mislukt, rest nog alleen de derde. Ook de zelfmoord wordt weer zeer `methodisch' aangepakt, als alles in zijn leven, en na uit het raam springen, ophangen, doodschieten en gif innemen te hebben verworpen (ophanging komt bijvoorbeeld niet in aanmerking vanwege het te lage plafond van zijn kamer), besluit Jean in de Seine te springen.

Pas wanneer hij in het duistere water staart, dringt de zinloosheid van een zelfmoord tot hem door, `omdat hij wist dat hij inwisselbaar was in de menigte en nooit echt helemaal dood kon gaan'.

Jean Dézert gaat naar huis en naar bed, en hervat zijn oude leventje. Jean de La Ville de Mirmont vertrok vol patriottische geestdrift naar het front en sneuvelde. Anders dan zijn hoofdpersoon bleek hij wèl te kunnen sterven, dankzij een Duitse kogel of granaatscherf in de loopgraven. Maar terecht kun je je afvragen, net als Mirjam de Veth in haar uitstekende nawoord, of dat in werkelijkheid niet een `verkapte zelfmoord' is geweest, een definitieve ontsnapping aan de `boenwas' van de verveling.

Jean de La Ville de Mirmont: De zondagen van Jean Dézert. Uit het Frans vertaald en van een nawoord voorzien door Mirjam de Veth. Coppens & Frenks. 110 blz. ƒ41,87