Een geur van ingekuild gras

Twisten en ruzies kenmerkten de geschiedenis van de Antirevolutionaire Partij, terwijl de continuïteit werd gewaarborgd door imposante leiders en het richtsnoer van de Bijbel. Drie boeken werpen nieuw licht op een oer-Hollandse politieke beweging.

Mijn eerste directe kennismaking met de politiek dateert uit het midden van de jaren zestig. Op een vergadering van de plaatselijke antirevolutionaire kiesvereniging, in een van de zalen achter de gereformeerde kerk, zou burgemeester Maarten Schakel van Noordeloos komen spreken. Sinds enige tijd zat hij voor de ARP in de Tweede Kamer. Tegen achten verzamelden zich ruim dertig mannen uit het dorp, van wie een aantal een flinke sigaar had opgestoken. De meesten kende ik van de zondagse kerkdiensten. Verweerde gezichten, handen die vertrouwd waren met de aarde, pakken die naar ingekuild gras roken. Tot mijn verrassing ook enkele hervormden, onder wie een lid van het bestuur van de School met den Bijbel.

Toen Schakel binnenkwam, ging hij niet onmiddellijk op de voor hem vrijgehouden plaats aan de tafel zitten, maar drukte hij eerst alle aanwezigen afzonderlijk de hand. Een paar sprak hij aan bij de voornaam – oude kennissen uit het verzet in de Tweede Wereldoorlog, toen hij als `Jan Snor' in de Alblasserwaard leiding gaf aan sabotageacties tegen de Duitse bezetter.

Na de lezing van een gedeelte uit de Bijbel, het zingen van een psalm en een gebed, was het woord aan het Tweede-Kamerlid dat ruim een uur lang uit zijn hoofd de actuele politieke situatie besprak. Het was voor het eerst dat de politiek zo tastbaar dichtbij was.

Deze jeugdherinnering kwam boven bij het lezen van drie recentelijk verschenen boeken over de geschiedenis van de Antirevolutionaire Partij, een van de meest markante en nog altijd tot de verbeelding sprekende Nederlandse politieke groeperingen, die in 1980 met de Christelijke Historische Unie en de Katholieke Volkspartij opging in het CDA. Hoewel de partij in de honderd jaar van haar bestaan slechts één keer (in 1937) meer dan vijftien procent van de stemmen haalde, speelde ze steeds een toonaangevende rol in de Nederlandse politiek. Ze slaagde er telkens weer in een meer dan evenredige invloed uit te oefenen op het bestuur van het land: eerst als emancipatiebeweging van de gereformeerden onder Kuyper, daarna als stabiele gouvernementele kracht onder de conservatieve Colijn en in de jaren zeventig als christen-radicaal geweten onder de bevlogen progressiviteit van Aantjes. De ARP was een gereformeerde polder in het Nederlandse politieke landschap met sterke dijken, waarachter de soms ruziënde ingelanden zich op elkaar aangewezen wisten. Die dijken bezweken pas aan het eind van de jaren zeventig onder de drang naar christen-democratische eenwording.

De Antirevolutionaire Partij werd in 1879 opgericht onder leiding van Abraham Kuyper, maar de antirevolutionaire beweging is van aanzienlijk oudere datum. In de winter van 1845 op 1846 hield mr. Guillaume Groen van Prinsterer een reeks lezingen voor geestverwanten uit het Réveil, een religieus-maatschappelijke opwekkingsbeweging, onder de titel `Ongeloof en Revolutie'. Daarin keerde hij zich vooral tegen de grondgedachten (ni Dieu, ni maître) van de Franse revolutie (antirevolutionair) en voerde hij een pleidooi voor een wereldbeschouwing die oog had voor Gods handelen in de geschiedenis (christelijk historisch). Als Tweede-Kamerlid vanaf 1849 ontwikkelde Groen zich tot de geestelijke vader van de antirevolutionaire denkrichting. Overigens waren het niet zozeer zijn politieke daden als wel zijn vele brieven en geschriften waardoor hij invloed uitoefende op de ontwikkeling van deze beweging. Voor organisatie had hij geen antenne. Van strategie en tactiek wilde hij niet weten, het ging hem om het getuigenis.

In de jaren daarna ontstonden in verschillende kiesdistricten in het land antirevolutionaire kiesverenigingen, die zich vooral tot taak stelden geestverwanten in de Tweede Kamer te krijgen. In zijn proefschrift De opbouw van de Antirevolutionaire Partij 1850-1888 geeft de historicus Rienk Janssens, directeur van het Wetenschappelijk Instituut van de Christen Unie, een uitvoerig en boeiend beeld van de verwikkelingen in een vijftal kiesdistricten, namelijk Groningen, Gouda, Goes, Sneek en Amersfoort. Hij laat daardoor zien dat de stichting van de ARP in 1879 geen eenmansactie was van Abraham Kuyper, maar het logische sluitstuk van een ontwikkeling van enkele decennia.

Janssens signaleert dat er aanvankelijk maar een dunne scheidslijn bestond tussen antirevolutionairen en conservatieven. Van sommige Kamerleden was onduidelijk of ze tot de ene of de andere stroming moesten worden gerekend. Pas in de loop der jaren voltrok zich een scheiding der geesten. Het onderwijs was daarbij een van de meest brandende problemen. De overheid ging er in de negentiende eeuw vanuit dat er één lagere school voor alle gezindten moest zijn, waarin de leerlingen werden onderwezen in christelijke en maatschappelijk deugden. Groen en zijn volgelingen vonden aanvankelijk dat de openbare school zou moeten worden opgesplitst naar gezindte, respectievelijk protestants, katholiek en joods. Op die manier zou er ruimte komen voor orthodox-protestants onderwijs als de ouders dat zouden willen. Toen de regering vasthield aan de ene ongedeelde openbare school, begon de strijd voor een zelfstandig christelijke onderwijs.

In 1860 werd de vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs (CSNO) opgericht die ijverde voor `bijzondere' scholen. Het door de Rotterdamse effectenmakelaar J. Voorhoeve opgerichte Antischoolwetverbond van 1872 activeerde en concretiseerde dit streven door de opzet van talrijke (144 binnen twee jaar) lokale afdelingen, die de basis zouden blijken van de plaatselijke politieke kiesverenigingen van de ARP.

De vermakelijkste delen van Janssens boek betreffen de ontwikkelingen binnen de lokale antirevolutionaire organisaties in de door hem beschreven plaatsen. In Amersfoort was het de onderwijzer Mondriaan, vader van de latere schilder, die zich krachtig weerde in de verkiezingscampagnes van antirevolutionaire Kamerkandidaten. Hij had een netwerk van verkiezingscoördinatoren en reizende agenten om zich heen verzameld die stemmen probeerden te werven, maar kampte met het probleem dat de plaatselijke openbare scholen `goede christelijke scholen' waren, zodat de activiteiten van het Antischoolwetverbond en het antirevolutionaire gedachtegoed er aanvankelijk geen vruchtbare voedingsbodem hadden. In het district Gouda liepen de politieke tegenstellingen tussen liberalen en antirevolutionairen in de jaren tachtig zo hoog op dat het regelmatig tot fysieke confrontaties kwam. Na een liberale stembusoverwinning werden bij meer dan honderd antirevolutionairen de ruiten ingegooid, omdat zij weigerden de verkiezingsuitslag te vieren door de vlag uit te hangen.

Donderdag 3 april 1879 is de geschiedenis ingegaan als de dag van de feitelijke oprichting van de ARP. Vertegenwoordigers van kiesverenigingen, afdelingen van het Antischoolwetverbond en redacties van verwante bladen kwamen bijeen in Utrecht. Tijdens die vergadering gaf Kuyper een overzicht van de geschiedenis van de antirevolutionaire beweging en werd unaniem een beginselprogram aanvaard, dat in de jaren daarvoor tot stand was gekomen. De vorming van de ARP was een feit.

De greep van Abraham Kuyper op de partij was groot. Hij was de samensteller van het beginselprogramma, hoofdredacteur van De Standaard, het officieuze partijdagblad, en hij correspondeerde met lokale partijmannen over geschikte kandidaten voor Kamerzetels en polste persoonlijk de kandidaten. Onder Kuypers leiding werd de ARP een hechte organisatie met een sterke identiteit en een belijnd politiek profiel. Dat laatste was een hele prestatie in het licht van de talrijke tegenstellingen die binnen de ARP bestonden en ook regelmatig oplaaiden. Vanaf het begin bestond er bijvoorbeeld animositeit tussen de christelijk-gereformeerden, die zich in 1834 van de staatskerk hadden afgescheiden, en de orthodoxe hervormden. Gereformeerden waren voorstander van het verbreken van de financiële band tussen kerk en overheid, terwijl de hervormden die in de grondwet vastgelegde band juist wilden voortzetten. Hoe scherp de tegenstelling kon oplopen bleek toen enkele christelijk-gereformeerde antirevolutionairen in 1881 een eigen kiezersbond `Marnix' oprichtten, omdat de ARP onvoldoende haast maakte met het slaken van de banden tussen kerk en staat, terwijl later enkele hervormden zich zelfstandig organiseerden uit vrees voor het verbreken van die band. Het gereformeerde karakter van de ARP werd nog verder versterkt, toen Kuyper en zijn volgelingen in 1886 met de Nederlands Hervormde kerk braken.

Een tweede tegenstelling betrof die tussen de aristocratie en de democratie, tussen `droit' en `gauche'. De democraten, waartoe Abraham Kuyper zichzelf ook rekende, probeerden de kiezers zoveel mogelijk bij de politiek te betrekken, terwijl de aristocraten eigenlijk niet op de emancipatie van de kiezers zaten te wachten. De praktijk was dat de antirevolutionaire Kamerleden, vaak van adel en tamelijk bemiddeld, rechtser waren dan de achterban.

Ook het sociaal-economisch beleid zou voortdurend een bron van spanningen blijken binnen de ARP. In 1891 zette Kuyper de koers van de ARP uit tijdens het eerste Christelijk Sociaal Congres met een vermaard geworden rede, waarin hij sprak van `architectonische maatschappijkritiek', een kritische evaluatie van de structuren van de samenleving. In zijn gisteren aan de Vrije Universiteit verdedigde proefschrift Om het volvoeren van een christelijke staatkunde, de ARP in het Interbellum geeft dr. Jan P. Stoop een heldere analyse van de tegenstellingen die er op dit punt binnen de partij leefden. Principieel keerde de ARP zich tegen het socialisme, dat zijn heil verwachtte van een verandering van de maatschappij. Daar zal de mens niet van veranderen, aldus de heersende opvatting. Uitgaande van een organische maatschappijbeschouwing pleitte men principieel voor samenwerking tussen `patroons' en arbeiders. Kapitaal en arbeid moesten bij elkaar worden gebracht. Vanuit de linkervleugel van de ARP en door het daarmee verwante Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) werd dan ook openlijk gepleit voor medezeggenschap van de arbeiders in de onderneming. Die pleidooien leidden tot een ideologische botsing binnen de partij. Herman Dooyeweerd, adjunct-directeur van het wetenschappelijke bureau van de ARP, zag in deze pleidooien een groot gevaar: op die manier zou de arbeider op de stoel van de ondernemer komen te zitten. Hij zou zeggenschap krijgen over eigendom dat het zijne niet was. Dooyeweerd vond dat in strijd met `de beginselen van Gods Woord'. CNV-secretaris Herman Amelink, die van 1931 tot 1946 voor de ARP in de Tweede Kamer zat, voelde zich door die uitlatingen zeer gegriefd. In het verleden waren werkstakingen met hetzelfde argument bestreden, betoogde hij. Dooyeweerd wist gewoon niet, waar hij het over had. Arbeid was voor een onderneming even belangrijk als het kapitaal. De suggestie van Dooyeweerd dat arbeiders dan maar aandelen moesten kopen om medezeggenschap te krijgen wees hij verontwaardigd af. Medezeggenschap was een kwestie van principe, niet van `een handvol goud'.

Stoop geeft, in de beste traditie van de goede geschiedenisleraar, in zijn boek eerst een kort politiek overzicht van het interbellum op basis van de achtereenvolgende verkiezingsuitslagen van de ARP, om vervolgens de hele periode thematisch te bespreken. Na het sociale vraagstuk komen achtereenvolgens het functioneren van de democratie (kiesrecht), de ethische vraagstukken (vaccinatie, crematie, echtscheiding) en het defensiebeleid aan de orde. Over al deze punten werd binnen de ARP zeer uiteenlopend gedacht en het is verhelderend om de argumentatie in die debatten te kunnen herlezen.

Niet altijd slaagde de leiding van de ARP er in politieke twisten binnenshuis te houden. Invoering van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging in 1918 maakte de oprichting van de Staatkundige Gereformeerde partij mogelijk. Tot deze partij behoorden de zogeheten bevindelijke gereformeerden, die de nadruk legden op de persoonlijke religieuze ervaring. Ze keerden zich tegen maatregelen die uitgelegd zouden kunnen worden als een gebrek aan Godsvertrouwen, zoals verzekering en vaccinatie.

Zat de SGP rechts van de ARP, ingrijpender was het ontstaan in 1948 van het Gereformeerd Politiek Verbond, een rechtstreeks gevolg van een scheuring in de gereformeerde kerken. Een deel van de vrijgemaakt-gereformeerden, die zich niet konden verenigen met beslissingen van de gereformeerde synode over de leer van de doop, meende in de politiek niet meer te kunnen samenwerken met mensen door wie ze de kerk uitgewerkt waren. Pogingen van ARP-leider Jan Schouten dit zogenoemde `ethisch conflict' te beheersen mislukten.

Het ontstaan van SGP en GPV wordt uitvoerig beschreven in het vorige week verschenen boek De Antirevolutionaire Partij 1829-1980 dat in een bestek van 300 pagina's een compact, maar toch compleet beeld geeft van de geschiedenis van de partij. Aan dit boek is meegewerkt door tien mensen die hun sporen op het terrein van de geschiedschrijving van de protestantse politiek hebben verdiend. Onder hen bovengenoemde Rienk Janssens en Jan P. Stoop, maar bijvoorbeeld ook prof. dr. A.Th. van Deursen die de vroegste periode voor zijn rekening heeft genomen.

Lezing van de drie boeken maakt opnieuw duidelijk wat een levendige organisatie de ARP was. Het debat tussen de verschillende richtingen verstomde eigenlijk nooit. Er werd op het scherpst van de snede gediscussieerd. Verschillen in oordeel waren al snel principiële verschillen van mening, of het nu ging om het sociaal-economische beleid, de manier waarop de beginselen vertaald moesten worden naar de politieke praktijk of over het koloniale beleid. Maar ondanks alle meningsverschillen was daar steeds weer die gehechtheid aan elkaar, een continuïteit die door alle ruzies makkelijk buiten beeld zou kunnen raken.

Tal van factoren zijn bepalend geweest voor de sterke cohesie van de ARP. In de eerste plaats beschikte de partij over sterke gezichtsbepalende politieke leiders. Mensen als Kuyper, Colijn, Schouten, Zijlstra en Biesheuvel spraken tot de verbeelding. De antirevolutionaire kiesverenigingen zorgden voor een worteling van de partij in het volk, wat de loyaliteit ten goede kwam. De gemeenschappelijk verbondenheid aan de bijbelse boodschap gaf bij alle interne meningsverschillen, die soms hoog opliepen, toch een gezamenlijk fundament.

Vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog vonden veel antirevolutionairen elkaar in het verzet tegen de Duitse bezetter, dat als verzet tegen de macht van het Kwaad werd beschouwd. Mensen als Bruins Slot, Smallenbroek, Gesina van der Molen en Schakel wisten toen wat er van hen gevraagd werd. Daar kwam dan nog eens het vanwege de partij telkens weer beklemtoonde besef bij in een lange historische traditie te staan.

Tijdens het interbellum werd een gedenkplaat uitgebracht die de huiskamer van menige antirevolutionair sierde, waarop die historische traditie goed zichtbaar werd gemaakt. In het centrum van de plaat staat een tekening waarop de verovering door de Watergeuzen van Den Briel op de Spanjaarden staat afgebeeld. Daarboven de portretten van de kerkhervormer Calvijn, voorzitter Johannes Bogerman van de synode van Dordrecht en Marnix van St. Aldegonde, de vermoedelijke dichter van het Wilhelmus. Eronder de afbeeldingen van een viertal Oranjes uit de tijd van de Republiek. Links en rechts daarvan de portretten van alle belangrijke antirevolutionairen, van Bilderdijk en Groen van Prinsterer, via Kuyper en De Savornin Lohman tot Talma en Colijn. Hoe sterk die verbondenheid met de historie tot het laatst toe bleef blijkt wel uit het feit dat de gedenkplaat kort voor de opheffing van de partij in 1980 is herdrukt en ook toen weer gretig aftrek vond. Sommigen zijn tot op de dag van vandaag van oordeel dat de Antirevolutionaire Partij nooit opgeheven had moeten worden en daar is wat voor te zeggen.

Rienk Janssens: De opbouw van de Antirevolutionaire Partij 1850-1888. Verloren, 411 blz. ƒ66,-

J.P. Stoop: Om het volvoeren van een christelijke staatkunde, De Antirevolutionaire Partij in het Interbellum. Verloren, 362 blz. ƒ66,-

George Harinck, Roel Kuiper en Peter Bak (red.): De Antirevolutionaire Partij 1829-1980. Verloren, 374 blz. ƒ55,-