De aardappelmisoogsten (1845-1848)

In Nederland is er sinds de invoering van de Burgerlijke Stand in 1811, die het begin inluidde van een nauwkeurige bevolkingsregistratie, één jaar geweest waarin meer inwoners stierven dan er geboren werden. Deze uitzonderlijke situatie werd niet veroorzaakt door een dood en verderf zaaiende epidemie, maar ze was een direct gevolg van het uitbreken van de aardappelziekte, die in de periode 1845-1848 in geheel West-Europa, met Ierland als extreme uitschieter, honger, armoede en vooral veel ellende veroorzaakte.

De aardappel had nog maar betrekkelijk kort daarvoor een vaste plaats in het menu van de West-Europeaan verworven. Het was bij de boeren vrij snel bekend dat een met aardappelen bebouwd areaal twee- tot driemaal zoveel zetmeel opbracht als een vergelijkbare oppervlakte rogge. In deze jaren konden van één hectare weiland twee mensen gevoed worden, één hectare met broodgranen bezaaid kon vijf à zes mensen voeden en van eenzelfde oppervlakte aardappelen kregen ruim tien mensen hun noodzakelijke hoeveelheid calorieën. Bovendien bevat de aardappel vitamine C dat in granen ontbreekt zodat het gebruik ervan op langere termijn een positief effect op de volksgezondheid heeft.

De aardappelziekte werd veroorzaakt door een schimmel, de Phytophthora infestant. De hete en natte zomer van 1845 gaf de Phytophthora alle gelegenheid zich buitengewoon snel te verbreiden. Vanaf augustus 1845 kwam vanuit alle provincies een stroom alarmerende berichten op gang over de uiterlijke verschijningsvorm van de nieuwe en onbekende ziekte.

Allereerst werd het loof aangetast, te beginnen met de top van de plant. Deze aantasting gaf bruine vlekken op de bladeren te zien. Met de tijd verspreidde deze zich naar beneden, tot zij aan de voet van de stengel ook de knol bereikte. Ook hier werd de aantasting het eerst zichtbaar door bruine vlekken op de schil. Ne enige tijd rotte de knol langzamerhand weg. Nagenoeg geen enkele aardappelsoort er waren ook in die tijd al veel verschillende variëteiten bleef van de ziekte gevrijwaard. Wel bleek dat de beste en fijnste soorten meer vatbaar waren dan de grove soorten en dat de ziekte zich het hevigst openbaarde op de lage en vochtige gronden.

In de loop van het najaar van 1845 werd duidelijk dat zich allerwegen een ramp aan het voltrekken was waarvan men de oorzaak niet kende en waar men geheel machteloos tegenover stond. Aan het eind van het jaar bleek dat de totale opbrengst van de aardappeloogst minder dan vier miljoen mud bedroeg, terwijl in voorgaande jaren een normale oogst ongeveer veertien miljoen mud opleverde. Uit in allerijl gemaakte berekeningen werd duidelijk dat er snel maatregelen genomen moesten worden om een acute hongersnood te voorkomen. Met het succesvol aanwenden van alternatieven de consumptie van erwten en bonen nam sterk toe en een forse uitbreiding van de invoer van granen werd het grootste onheil afgewend. Mede doordat de winter van 1845 op 1846 zeer zacht was, de armenkassen nog redelijk gevuld waren en er voldoende bereidheid bestond om werkverschaffingsprojecten op te zetten kon een ramp nog afgewend worden.

Maar toen de aardappelziekte zich in 1846 opnieuw voordeed met een opbrengst van bijna 6 miljoen mud niet zo slecht als in 1845, maar nog altijd minder dan de helft van een normale oogst was dit repertoire ontoereikend. De situatie werd verergerd door het gedeeltelijk mislukken van de teelt van rogge, onder meer door het optreden van roest. Ook de tarweoogst nam onder invloed van een lange hete zomer en een muizenplaag af tot tweederde van wat van normaal was. Dezelfde weersomstandigheden veroorzaakten in de laaggelegen gebieden een uitbarsting van koortsen, waarschijnlijk vooral malaria. Tot overmaat van ramp sloeg de winterse kou in 1846-1847 langdurig toe. De graanprijzen vooral die van rogge liepen in het voorjaar en de vroege zomer van 1847 zeer hoog op, terwijl de aardappelen schaars en dus duur bleven. Mensen met geen of geringe middelen kwamen daardoor in ernstige moeilijkheden.

Bij Koninklijk Besluit werd 2 mei 1847 tot een algemene biddag opgeroepen, maar directe leniging van de nood werd aan de gemeentebesturen overgelaten. Bij hen was, al na één rampjaar, de rek om afdoende hulp te bieden er een beetje uit. Nadat in september 1845, toen de aardappelprijzen voor het eerst begonnen te stijgen, in enkele Hollandse steden opstootjes waren uitgebroken, bleef het lange tijd rustig. Een tweede golf van onlusten, vaak van een ernstiger karakter, brak uit in juni 1847. Door de exorbitant hoge roggeprijzen nam een deel van de stedelijke bevolking in het noorden en oosten het heft in eigen hand.

De onlusten begonnen in Harlingen, waar te hoop gelopen publiek een schip met voor Engeland bestemde aardappelen probeerde tegen te houden. Plunderingen volgden, onder andere van het huis van de burgemeester. In Groningen waren de onlusten het ernstigst. Hier riepen groepen werkloze arbeiders om brood. De autoriteiten zetten soldaten is die met scherp schoten. Daarbij vielen vijf doden. Ook in Franeker, Leeuwarden, Zwolle, Deventer, Zutphen, Arnhem en Nijmegen was het onrustig. Radicaal-democratische journalisten, zoals Eilert Meeter, hadden onder deze omstandigheden een ideale kans om olie op het vuur te gooien. Er ontstond een gespannen en broeierige situatie, die elk moment tot een uitbarsting kon komen. Toen het in de eerste maanden van 1848 in veel landen op het Europese continent tot revoluties (of pogingen daartoe) kwam, verschoof ook in Nederland het politieke evenwicht. Het verhaal van de uiteindelijk vreedzaam tot stand gekomen grondwetsherziening van 1848 de meest fundamentele uit onze vaderlandse geschiedenis moet dus eigenlijk bij de Phytophthora infestant aanvangen.

Bron: J. Bieleman, Geschiedenis van de landbouw in Nederland 1500-1950. Veranderingen en verscheidenheid (Meppel/Amsterdam, 1992).

    • Cor van der Heijden