Dit is een artikel uit het NRC-archief

Terrorisme

Saoedi-Arabië en de VS: een riskante relatie

Saoedi-Arabië heeft vandaag de banden met de Afghaanse Talibaan verbroken. Maar verdere concrete medewerking met de Verenigde Staten in de strijd tegen terrorisme, ligt erg moeilijk in Riad.

Saoedische prinsen beloven haast dagelijks volledig mee te werken met hun Amerikaanse bondgenoten in hun strijd tegen het terrorisme. Maar binnensmonds smeken zij God deze gifbeker aan hen voorbij te laten gaan.

Washington wil zijn nieuwe commandocentrum op de Prins Sultan-luchtmachtbasis bij Riad graag gebruiken in het geval van een luchtoffensief tegen Osama bin Laden, hoofdverdachte van de aanslagen van 11 september in Amerika, en zijn Talibaan-beschermheren in Afghanistan. Dat heeft vorige week ook in de Amerikaanse pers gestaan. Daarop kwam een anonieme Saoedische zegsman zondag vertellen dat hiervan geen sprake kon zijn. De Saoediërs zijn bang dat publieke medewerking aan Westerse aanvallen op moslims, van welke categorie ook, hun eigen gezag fataal zal ondermijnen onder hun streng-islamitische bevolking.

Bijna alle Arabische regeringen zitten in een precaire situatie nu ze door hun Amerikaanse financier en/of wapenleverancier vriendelijk worden verzocht mee te doen aan diens campagne tegen islamitisch terrorisme. Zij kampen met het probleem dat een tastbaar deel van hun bevolkingen het optreden van Israël tegen de Palestijnen eerder ziet als terrorisme dan dat van Osama bin Laden tegen de VS, die in de eerste plaats worden gezien als bondgenoot van de joodse staat. Maar de leiders van Egypte, Jordanië en andere Arabische staten zitten op fluweel vergeleken met het Saoedische koningshuis.

Pikant is dat de Talibaan mede een Saoedische creatie zijn, evenals Bin Laden zelf, ook al hebben de Saoedische autoriteiten de terroristenleider zijn staatsburgerschap in 1994 ontnomen en gisteren ook de betrekkingen met de Talibaan verbroken. Maar de Talibaan zitten ver weg. Ronduit gevaarlijk voor de Saoedische leiders is dat Bin Laden henzelf onmiddellijk na de VS in het vizier heeft. Hun uitnodiging aan Washington in 1990 om na de Iraakse invasie van Koeweit hun als ongelovig beschouwde troepen te stationeren in het land van de twee heilige plaatsen – de heiligste plaatsen van de islam – heeft Bin Laden tot zijn huidige heilige oorlog gebracht. Noemt de Saoedische koning zich niet hoeder van de twee heilige plaatsen?

De Saoedische leiders hadden ook in augustus 1990 al grote moeite om tot actieve militaire samenwerking met de VS over te gaan. Een nieuwe, fundamentalistische wind was opgestoken in het Midden-Oosten. President Bush sr. en zijn militaire commandanten wisten dat het noodzakelijk was om grote aantallen militairen in Saoedi-Arabië te legeren wilde men de Iraakse troepen uit Koeweit kunnen slaan. Waar anders? Maar de Saoediërs, die zelf ook direct door Irak werden bedreigd, hadden dagen nodig om de uitnodiging over hun lippen te krijgen die Washington om tactische redenen uit hun mond wilde horen.

Gelijk hadden ze. ,,Het heeft me razend gemaakt'', zei Bin Laden in 1993 in een vraaggesprek met de krant Al-Quds over de invitatie aan de Amerikanen. In 1996 volgde zijn 'Oorlogsverklaring aan de Amerikanen die het land van de twee heilige moskeeën bezetten', die even hard aan het Saoedische koningshuis was gericht. Twee aanslagen op Amerikaanse militaire installaties in het land, in Riad en Dhahran, zijn met Bin Laden in verband gebracht.

Maar Bin Laden heeft meer bezwaren tegen het Saoedische koningshuis. In een `Open brief aan koning Fahd' (1995) somde hij op: gebrek aan betrokkenheid bij de sunnitische islam die de meerderheid van de Saoediërs aanhangt, verspilling van publieke fondsen en oliegeld en onvermogen een zelfstandige defensiepolitiek te voeren.

Bij de Saoedische bevolking krijgen dergelijke ideeën steeds meer weerklank en groeit navenant de weerstand tegen de lange relatie met de VS. Geestelijken buiten de gevestigde orde die de Amerikaanse aanwezigheid verketteren, vinden toenemend gehoor. In deze kringen is Bin Laden eerder een strijder voor het ware geloof dan een terroristenleider.

De Amerikaanse relatie met Saoedi-Arabië begon in 1933, onder koning Saud, met een olieconcessie voor het Californische Standard Oil, waarmee het land de facto van de Britse in de Amerikaanse invloedssfeer terechtkwam. In 1945 ontving president Roosevelt koning Saud met veel egards in Egypte, waarmee hij de banden met deze interessante olieproducent bevestigde. Olie is sindsdien de basis gebleven van de verhouding: de regering in Riad staat doorgaans klaar gaten in de olieproductie op te vullen als een andere leverancier wegvalt en zo de prijs in de hand te houden. Maar Saoedi-Arabiës strategische positie, bijvoorbeeld als tegenwicht tegen Irak, plus zijn bereidheid om enorme hoeveelheden Amerikaanse wapens af te nemen spelen eveneens een grote rol.

Duizenden Amerikaanse militairen zijn tot op de dag van vandaag in Saoedi-Arabië achtergebleven, met vliegtuigen en ander geavanceerd materieel, omdat de situatie in Irak onzeker is gebleven. Vanuit bases in het land voeren Amerikaanse vliegtuigen patrouillevluchten uit in de No-flyzone boven het zuiden van Irak (die boven Noord-Irak wordt vanuit Turkije gecontroleerd). Maar als teken hoe gevoelig de betrekkingen met de Saoedische gastheren zijn geworden, worden de bijna routinematige aanvallen op Iraakse luchtdoelinstallaties niet vanaf Saoedische bases maar vanaf steunpunten elders in de regio, zoals vliegdekschepen, uitgevoerd.

Het is haast ondenkbaar dat Saoedi-Arabië uiteindelijk geen medewerking zal verlenen aan Amerikaanse militaire acties tegen terroristische centra. Al was het maar wegens de uitstraling die dat zou hebben naar de rest van de Arabische wereld. Voorwaarde zal wel nog grotere discretie van Amerikaanse zijde zijn.