Dit is een artikel uit het NRC-archief

Boeken

In een grauwsluier van desillusie

Tijdens de Spaanse Burgeroorlog werden, vooral aan republikeinse zijde, duizenden kinderen in het buitenland in veiligheid gebracht. Een flink aantal van hen werd geëvacueerd naar de Sovjet-Unie, een van de weinige actieve bondgenoten van het linkse kamp. Na Franco's overwinning bleven de meesten van hen geïsoleerd achter, in een land dat al snel niet het paradijs van levensvreugde bleek te zijn waarvan hun jarenlang de lof was toegezongen.

De Spaanse journaliste Olga Merino heeft haar eerste roman Rode as gesitueerd in het milieu van deze `oorlogskinderen', dat ze goed moet hebben leren kennen in de vijf jaar dat ze in Moskou correspondente was. De oorlog ligt in haar boek een halve eeuw terug en de Sovjet-Unie loopt op haar laatste benen. De communisten van de oude garde verschansen zich onder leiding van Gasboelatov, voorzitter van de Opperste Sovjet, in het parlementsgebouw dat door het leger wordt omsingeld en ingenomen. Boris Jeltsin wordt de onbetwiste leider van het `democratische' Rusland.

Voor Ginés Toyos Amezaga maakt het allemaal weinig uit. Hij staat op het punt terug te keren naar Bilbao, van waaruit hij als tienjarige werd geëvacueerd en dat hij sindsdien één keer heeft teruggezien. Toen voelde hij zich in het nieuwe Spanje niet meer thuis, maar inmiddels is de situatie in zijn nieuwe vaderland zozeer verslechterd dat elk alternatief beter is. De samenleving is ineengestort, maffia's beheersen de economie, er is van alles te koop maar niets is betaalbaar en als het even tegenzit dreigt voor de tweede keer in Ginés' leven een burgeroorlog. Van Jeltsin verwacht hij even weinig als van alle andere kleptocraten die van de ene dag op de andere `altijd' in democratie hebben geloofd en intussen Ruslands rijkdom plunderen.

Ginés' vertrek komt in gevaar wanneer zijn vriend Lenin (zoon van een militante Ecuadoriaanse vakbondsleider) op gruwelijke wijze wordt vermoord en hij het lijk moet identificeren. Plotseling beginnen de raadselachtige gebeurtenissen van de voorbije maanden op hun plaats te vallen: Lenins nerveuze gedrag, het geld waarover hij van de ene dag op de andere beschikte, de grootspraak over zijn `contacten' en het pakje dat hij kort daarvoor in bewaring heeft gegeven. Wekenlang leeft Ginés in angst dat de maffia of de politie het pakje alsnog zal komen zoeken, zonder dat hij weet welke van de twee erger is. Om zijn angst te bezweren begint hij een dagboek waarin hij de gebeurtenissen probeert te ontwarren en tegelijk zijn eigen levensgeschiedenis reconstrueert.

Hij is, zo realiseert hij zich nu, in de Sovjet-Unie altijd een buitenstaander gebleven, ondanks zijn twee huwelijken en zijn inzet voor het grote Ideaal. Ook al kreeg dat steeds valere kleuren, de illusies van Ruslands grootheid is hij nog altijd niet helemaal kwijt (hij is er vast van overtuigd dat een Rus de eerste man op de maan is geweest). Des onbegrijpelijker is het dat die grootheid plotseling lijkt te zijn verdampt, net als de andere zekerheden van de Sovjetmaatschappij, zijn pensioenrechten en het geld dat hij bij elkaar gesappeld had. In zijn verbittering tegen de leiders van vroeger en die van nu is hij in ieder geval één met de Russen.

Merino heeft Ginés' dagboekaantekeningen afgewisseld met hoofdstukken over het wel en wee van zijn medebewoners in het collectieve appartement waarin hij één half-afgeschotte kamer de zijne mag noemen. Een gescheiden moeder is op zoek naar een betrouwbare echtgenoot. Een oude vrouw die nog altijd Stalins portret koesterend tussen haar linnengoed bewaart, wordt bij een anti-Jeltsinbetoging door de politie tegen de grond geslagen en verwond. Een uitgeblust echtpaar zit in de rats over hun nationalistische zoon die als huursoldaat naar Joegoslavië is gegaan en zich vervolgens bij Gasboelatov heeft aangesloten. Een Georgische taxichauffeur zonder papieren leeft in voortdurende angst te worden opgepakt, mishandeld en teruggestuurd. Over dat alles ligt de grauwsluier van vuiligheid, desillusie en overleven op het minimum, dat almaar minimaler blijkt te kunnen worden.

Rode as is een dubbelportret van de desintegrerende Sovjetmaatschappij in de jaren negentig en van de geschiedenis van de Spaanse `oorlogskinderen' gedurende de afgelopen halve eeuw. Beide beschrijft Merino zonder grote dramatiek maar met een bijna kleverige efficiëntie in het oproepen van sferen, stemmingen en vooral fysieke omstandigheden. Vormgegeven als een roman, boeit het boek vooral als een in fictie verpakte reportage die een onmiskenbaar literair talent verraadt. Met Ginés loopt het tenslotte toch nog goed af. Met de voormalige Sovjet-Unie, zo maakt Merino's deprimerende schildering duidelijk, vooralsnog een stuk minder.

Olga Merino: Rode as. Uit het Spaans vertaald door Adri Boon. Querido, 221 blz. ƒ34,90