Wapenindustrie op dorpsniveau

De taxichauffeur haalt iets zwarts tevoorschijn uit de zak van zijn wijde, witte broek. ,,Kijk'', zegt hij, ,,een 8mm Chinees pistool.'' Verbaasd betasten we het staal. ,,Het is niet in China gemaakt, maar hier in Pakistan.'' We zijn op weg naar het dorp Darra, 45 kilometer ten zuiden van de stad Peshawar in Noord-Pakistan, dicht tegen de grens met Afghanistan. Hier werken meer dan honderd jaar bijna alle inwoners in de wapenindustrie; niet in fabrieken, maar in kleine huisateliers. Volgens de overlevering is dit in 1890 begonnen, toen een wapensmid uit de Punjab die gezocht werd voor moord, hier neerstreek, buiten bereik van de Britse autoriteiten. Officieel is dit gebied als tribal area gesloten voor buitenlanders, maar in de praktijk heeft een clandestien uitstapje naar Darra voor veel reizigers de status van cult event. Het zou hen iets doen ervaren van de wildwestachtige wetteloosheid die dit deel van het land kenmerkt.

In het dorp is het eerste dat opvalt de enorme hoeveelheid wapenwinkels, te herkennen aan de grote pistolen die op de muren zijn geschilderd. Voordat we de huisvlijt in ogenschouw nemen, overhandigen we eerst de dorpsagent wat steekpenningen een vereiste om ons bezoek soepel te laten verlopen. We krijgen thee en beantwoorden vragen, terwijl we herhaaldelijk worden opgeschrikt door explosies en geweervuur.

,,Ze zijn aan het testen'', zegt de agent. Zelf draagt hij geen wapen. Lachend: ,,Dat heb ik niet nodig. Hier gebeurt nooit wat.'' Hij laat de fluit aan zijn riem zien. ,,Dit is mijn wapen.'' De agent legt uit dat de Pakistaanse overheid in de tribal area's in beperkte mate gezag uitoefent: de dienst wordt er uitgemaakt door stamhoofden en roversbendes. Hij is hier slechts `om toezicht te houden op de rijksweg door het dorp'. Volgens de agent, zelf een dorpeling, verdienen in Darra en omgeving twintigduizend mensen de kost met het namaken van modern wapentuig.

We lopen een fabriekje in van drie bij drie meter. In de hoek een bed. Twee mannen zitten op de grond voor een werkbank; de een is bezig met het achterstuk van een Kalasjnikov, de ander met een pistool. Negen jaar geleden begonnen ze met hun werkplaats, waar meestal ook de nacht wordt doorgebracht. ,,De Kalasjnikov is het beste wapen'', zegt de een. ,,Schiet altijd.'' Onderdeel voor onderdeel maakt hij het wapen, gedurende zes à zeven dagen. Daarna wordt het geheel in een ander atelier in elkaar gezet.

Is het moeilijk werk? ,,Helemaal niet'', zegt de agent die met ons is meegelopen om ons in de gaten te houden. ,,Blijf hier een jaar en je maakt ook een Kalasjnikov.''

De ambachtsman legt ons vervolgens uit dat zijn Kalasjnikovs, anders dan de Russische, geen automatische instelling hebben waarmee het hele magazijn achterelkaar kan worden leeggeschoten. ,,Ze vuren de kogels een voor een af.'' Is hier sprake van regelgeving van hogerhand? Deze indruk wordt versterkt als blijkt dat in deze plaats in 1996 is gestopt met het `openlijk' vervaardigen van zwaarder geschut als anti-aircraft-mitrailleurs en rocket launchers. ,,We houden het hier nu bij de handwapens'', zegt de agent.

Even verderop is de werkplaats van Auranzgeb (25) die al acht jaar Beretta's maakt, een Italiaans pistool, te herkennen aan de dikke loop. Zijn twee kleine kinderen spelen om hem heen met kogels. Vindt hij zijn werk leuk? ,,Ja.'' Waarom? Dit soort vragen wordt in Pakistan slecht begrepen. ,,Omdat ik er geld mee verdien.'' In een van de winkels verderop nemen we het complete aanbod in ogenschouw. Een Kalasjnikov kost er vanaf 200 gulden. Er liggen ook Mauser-pistolen en een lokale specialiteit, de penguns, pistolen in de gedaante van een vulpen à 30 gulden. ,,Dodelijk tot op een afstand van twaalf meter'', verzekert de verkoper. Made in Japan staat er met grote letters op.

Hoe gaan de zaken? ,,Niet zo goed'', zegt de handelaar. ,,De centrale overheid bemoeit zich met ons. Onze nieuwe president wil alles onder controle krijgen. Maar dat zwakt na verloop van tijd zeker weer af. Ernstiger is dat de markt verzadigd is. Iedereen heeft hier al een of meer geweren.'' En de oorlog in Afghanistan, zorgt die niet voor veel klanten? ,,Hou op. Daar zitten ze zo tjokvol wapens! Afghanen komen juist hier om te proberen wapens te verkopen. Wel komen hier handelaren uit Karachi. Die verkopen de wapens dan door.'' Aan wie? De IRA? De Tamil Tijgers? Deze namen zeggen de winkelier niets. ,,Niet-Pakistani kopen hier niet'', weet hij.

In de steegjes vullen kinderen die nog te jong zijn voor de serieuze wapenproductie, oude kogels met kruit. Een jongen van tien jaar recyclet zo vierduizend kogels per dag. Aan het einde van de rondleiding is het de bedoeling dat we op de schietbaan zelf de kwaliteit van geweren gaan testen. Tegen betaling uiteraard: een Beretta met vijf patronen leegschieten kost twintig gulden. Na een uur of twee worden we door de agent met zachte dwang de taxi ingeduwd: we moeten weg. ,,Er zijn patrouilles'', zegt de agent. ,,Jullie weten toch dat je hier helemaal niet mag zijn?''