Dit is een artikel uit het NRC-archief

Media

Op welk paspoort wil ik reizen?

Bij de immigratie in Pittsburgh maandagavond neemt een gezette zwarte dame mijn paspoort in ontvangst. Mijn Amerikaanse paspoort. Ik kan mijn ogen niet afhouden van haar opvallende nepnagels, wit gelakt met schuine zilveren golfjes. Tien vileine kunstwerkjes zijn het. Met strenge blik bladert ze door mijn paspoort, vergelijkt ze de foto en zet ze een stempel. En dan, met een onverwachte glimlach: ,,Welcome home''.

Home? Ik wil het niet en toch doet het me wat. Ik woon intussen al meer dan de helft van mijn leven buiten mijn geboorteland – maar ik ben er wel geboren en getogen. Ik heb twee paspoorten – maar mijn eerste nationaliteit had ik niet opgegeven om de tweede te verwerven. Wat is dan `home'?

Ik ging naar mijn hotel en ging in alle rust slapen. Het reisschema was rond, alle afspraken waren gemaakt, ik zou dinsdagmiddag doorvliegen naar een congres in Las Vegas en daarna familie bezoeken. Niets wees er op dat de volgende ochtend alles anders zou zijn, dat 11 september 2001 een life-changing experience zou worden. Binnen een uur was de vergelijking al gemaakt met de verrassingsaanval op Pearl Harbor, en niet alleen omdat er net een film van is gemaakt.

Met één belangrijk verschil, zoals een tv-omroeper in machteloze verontwaardiging uitriep: ,,Toen wisten ze dat ze in een oorlogssituatie zaten. Deze mensen gingen naar hun werk!''

Al snel ook wist iedereen dat ze voor altijd zouden weten waar ze waren en wat ze deden toen ze het nieuws hoorden en vooral toen ze voor het eerst de beelden zagen. De schok van history in the making. Net de moord op JFK, zeg ik tegen een eveneens gestrande stewardess in de lobby van het hotel. ,,Heb ik niet meegemaakt'', zegt ze, ,,voor mij is het meer de dood van prinses Diana.''

Ik heb vandaag het rampgebied bezocht op het dunbevolkte platteland van Pennsylvania. Wat zie je er helemaal: tussen de maïsvelden en de bomen een krater, die tevens graf is. Een graf zonder lichamen. Veel wijzer ben ik er eigenlijk niet van geworden, toch ben ik blij dat ik er geweest ben, want nu is het tenminste een beetje echt. ,,Dit waren de beste special effects van alle films die ooit gemaakt zijn. Het zag er niet `echt' uit'', zei een studente tijdens een bijeenkomst aan Carnegie-Mellon University (CMU). En een in Pittsburgh gestrande ambtenaar uit Washington DC zei: ,,De tv laat ons zien wat er gebeurd is, tegelijkertijd staat de tv tussen ons en die afschuwelijke werkelijkheid in.''

Is film meestal een ingedikte essentie van de werkelijkheid, een overtreffende trap van fantasie en technologie, nu was het eens andersom. De werkelijkheid heeft de film ingehaald. Honderden malen heb ik nu de beelden voorbij zien komen: de brand in de eerste toren, de vuurbal uit de tweede, het merkwaardig rechtstandig ineenzijgen – voor je het weet zijn het geen indringende feiten meer maar symbolen, meer monument dan nieuwsfeit, die zich loszingen van de pijn en het bloed en het gemis. Mij deden de huiveringwekkende beelden, en ik hoop dat het niet oneerbiedig lijkt, sterk denken aan de film Godzilla. Daar dendert het gevaar ook door de straten van New York, net als de wolken stof en puin na de ineenstorting van de WTC-torens. Nog hoor ik de stem van arts Mark Heath, die hulp kwam bieden, in zijn videocamera zeggen: ,,I hope I live. I hope I live. It's coming down on me!''

Op diezelfde bijeenkomst aan CMU sprak een docente, Indira Nair, een Indiase dame van middelbare leeftijd, gekleed in sari. Zij woont al 35 jaar in Amerika, maar moest van haar studenten horen hoe ze over haar geadopteerde land sprak. ,,Zij hebben gemerkt dat als wij over iets spraken in dit land wat mij bevalt, dan heb ik het over `wij'. Maar als het iets is wat mij niet bevalt, heb ik het over `zij'.'' Ze moest er zelf ook om lachen. Ik herken het. Er zit gemakzucht in, maar tegelijkertijd is het een voorrecht om binnen- én buitenstaander te zijn.

Als ik naar de beelden kijk van rokend puin, ben ik dan `wij' of `zij'? De vraag stellen is haar beantwoorden: deze aanval is ook op mij gericht. Aan het politieke beleid waar deze daden een respons op zijn, heb ik part noch deel, geen schram heb ik ervan opgelopen, en toch ben ook ik geraakt door de angst en de vernedering. Ik erger me wild aan de platte pavlovreactie van een tv-omroeper die liever naar zijn geweer had gegrepen dan naar de microfoon, en aan de politicus in de studio vraagt: ,,Waarom bestaat er nu op woensdagochtend nog altijd een Afghanistan?'' Maar op hetzelfde moment kan ik me heel goed verplaatsen in de verbijstering van de tiener die ik op straat hoorde zeggen: ,,Ik dacht niet dat dit in Amerika kon gebeuren. I guess it can.''

Nu moet ik beslissen op welk paspoort ik naar Europa ga reizen, de Nederlandse of de Amerikaanse – al zou het de kapers van deze week geen zier hebben kunnen schelen.

Op de terugweg staan er vlak voor Pittsburgh twee borden voor verkeersinformatie. Het eerste waarschuwt met overbodig pragmatisme: All traffic avoid New York City. Het tweede heeft een nog ongebruikelijker tekst: Proud to be an American. Hm. Liever zeg ik: blijf met je rotpoten van mijn rotland af.

Misschien ben ik van binnen toch meer Nederlander geworden dan ik zelf dacht.