Ten onder in de laagste versnelling

De hoofdpersoon van Peter Akkermans debuutroman De val van Icarus is een leraar Duits van middelbare leeftijd die dagelijks een klassieke plaat beluistert, een sigaar rookt en een middagwandeling maakt. Op zondag blijft hij thuis, want die dag is het te druk met andere wandelaars. De sociale verplichtingen die dat met zich meebrengt, kan hij niet aan: `Hij zag op tegen de voortdurende staat van mobilisatie, waarin hij zijn lichaam moest houden voor een mogelijke groet.'

Inderdaad, deze Sebastiaan Brandt is een buitenstaander. Die rol deelt hij met Icarus op het schilderij van Brueghel waarnaar het boek is genoemd. Dat is een uitegebreid landschap met een boer, een herder en een visser, respectievelijk ploegend, hoedend en vissend. Icarus is alleen in een hoek te zien: daar steken twee benen uit het water. Brandt, in het boek vrijwel steeds als S.B. aangeduid, is gefascineerd door een reproductie van het doek: `Was de mythe een alibi voor de schilder om het dagelijks leven af te beelden? Hij kon het niet geloven.' Voor S.B. is `De val van Icarus' `het enige vroege metafysische schilderij in de Nederlanden'. Evenzo is de roman bedoeld als Nederlandse versie van de metaphysical novel.

De val van Icarus lijkt geen vroeg-eenentwintigste-eeuws debuut: daarvooris het boek te dik en gebeurt er te weinig in. Uitgeverij Conserve heeft de eersteling van Akkerman (1952), een vertaler die in Amsterdam en Berlijn woont, dan ook opgenomen in zijn historische reeks met herdrukken van de debuten van Bernlef, Hermans, Mulisch, Reve en Theun de Vries. Tot die literaire bovencategorie behoort Akkerman nog niet, maar zijn debuut – volgens een `verantwoording' gebaseerd op de nagelaten geschriften van een vriend – is wel fascinerend.

De metafysica van deze roman lijkt vooral te schuilen in de afwezigheid van fysica, of preciezer, van belangrijke gebeurtenissen. Akkerman is een schrijver die de tijd stil wil zetten, zoals zijn hoofdpersoon het erg moeilijk heeft met veranderingen in zijn omgeving. Het bestaan van Brandt komt tot ons in een schier eindeloze serie observaties over heden en verleden, dialoogloos gerapporteerd in lange zinnen.

Hij blijkt een conservatieve man met een sterke aanhankelijkheid ten aanzien van Duitsland en een diepe liefde voor een overleden grootvader met een oorlogsverleden. Het eerste deel van het boek concentreert zich op de moeizame vriendschap tussen Brandt en zijn vriend P.. Wanneer een bezoek van de vriend aan de dan in Duitsland verblijvende Brandt op een teleurstelling uitloopt, verwatert de vriendschap. `Als een dier dat aan zijn staart naar achteren wordt getrokken, deerniswekkend, gleed de trein het station uit, en verdween, met de ander.'

Akkerman is een schrijver die zich graag uitleeft, goed kijkt naar wat er om hem heen gebeurt. Hij kan lyrisch schrijven over de verschillende bewegingen waaruit de activiteit `lopen' bestaat en komt op verrassende beelden. (`Zijn gezicht was als de trotse aankondiging van een autobaan, die al na tien kilometer overgaat in de oude, slecht geasfalteerde tweebaansweg.') De overvloed aan beelden zet de handeling in een steeds lagere versnelling. Soms – zeker als het uitweidingen over culturele onderwerpen betreft – gaat dat zelfs de geduldige lezer tegenstaan. Dat wordt versterkt doordat Akkerman het zich soms erg ingewikkeld maakt, bijvoorbeeld in deze zin over Brandt en zijn vriend P.: `Hij had zichzelf geprotretteerd, toen hij in een brief schreef, dat hij, S.B., behoorde tot degenen die, voor het geluk verloren, niet ophielden de mogelijkheden te scheppen waaronder dit mogelijk werd.'

De zin geeft wel iets belangrijks aan over de hoofdpersoon. In de loop van het boek ontpopt hij zich steeds meer als iemand die wel degelijk een verlangen naar een leven tussen – en niet naast – de mensen koestert. Eerst als hij zich stapje voor stapje beweegt naar de homoseksuele contacten die hijzelf eigenlijk verfoeilijk vindt. Brandt verbindt het bestaan van `inverti' aan jongens die op school buiten de groep vallen, aan mensen die zich eerder geestelijk dan lichamelijk ontwikkelen. Zoals hijzelf: in zijn eerste studiejaar vatte hij een liefde op voor Nietzsche waar al het lichamelijke ver achteraan zou sukkelen. Wat hij uiteindelijk in een studentenbed beleeft, valt hem ernstig tegen. Dat mannenlichaam is zo hard.

Later blijken meer onvermoede verlangens: als Brandt na het lesgeven met de auto naar huis rijdt, voert hij zijn snelheid op om indruk te maken op zijn fietsende leerlingen. Bij een schoolvoetbalwedstrijd verbaast hij iedereen met zijn tomeloze inzet in het spel, die eindigt met een blessure. Op dergelijke momenten wordt Brandt het soort tragische figuur dat je als lezer graag een duwtje in de rug zou geven: kom op, doe maar mee met de anderen.

Peter Akkerman heeft echter andere plannen. Hij stuurt zijn hoofdpersoon traag maar resoluut naar de ondergang. Zoals ook de benen van Icarus op het schilderij nog net boven het water uitsteken, wordt ook Sebastiaan Brandt juist op tijd door de kunst gevangen. En dat is goed.

Peter Akkerman: De val van Icarus. Conserve, 536 blz. ƒ75,–

Nederlandse literatuur