Passie voor kruipsels

Na Het land van rood en zwart (1993), een gefingeerde autobiografie van de bekroonde fotografe van het Mexicaanse regenwoud Gertrude Blom en De rozendief (1998), het in de ik-vorm vertelde levensverhaal van naaldkunstenaar Willem Schenk, heeft Inez van Dullemen zich opnieuw gewaagd aan een vie romancée. Ditmaal portretteert ze Maria Sibylla Merian. Deze schilderes en amateur-geleerde werd in 1647 in Frankfurt geboren en overleed zeventig jaar later in Amsterdam, de stad waar ze wereldfaam had verworven.

Weinig vrouwen genoten in de zeventiende eeuw zo'n bekendheid. Als dochter van de schilder en uitgever Mattheus Merian was ze al jong begonnen met zowel het schilderen van bloemen en insecten als met het verzamelen en onderzoeken van naturalia. Van deze ongebruikelijke passie voor kruipend gedierte, die haar onder andere naar het Surinaamse regenwoud voerde, maakte ze haar levenswerk. Met indrukwekkende, door haarzelf geïllustreerde standaardwerken legde ze een halve eeuw voor Linneaus de basis voor de moderne entomologie.

Veel is er over Maria Sibylla's privéleven niet bekend. Ze heeft geen autobiografie en nauwelijks brieven nagelaten. Inez van Dullemen noemt geen bronnen, wat normaal is in een roman maar een tekortkoming in een biografie. Dat is nu juist zo vaak een probleem met de vie romancée.

Het ligt voor de hand dat de schrijfster heeft geput uit Merians eigen werk: het Nieuw Bloemenboek, het Rupsenboek en haar magnum opus Metamorphosis insectorum Surinamensium: Ofte Verandering der Surinaamse Insecten. Deze werken waren drie jaar geleden te bezichtigen op een aan Maria Sibylla Merian gewijde tentoonstelling in Teylers Museum, waarvan ook een catalogus verschenen is.

Naast beeldschone aquarellen, gedroogde planten, geprepareerde vlinders en insecten op sterk water leverden de onderzoekingen van de nieuwsgierige natuurvorser interessante aantekeningen op, die zich niet beperkten tot insecten en planten alleen. Zo schreef ze tijdens haar tweejarige verblijf in Suriname met afschuw over de behandeling van slaven en noteerde ze het recept van de kruidendrank waarmee slavinnen een abortus opwekten om hun kinderen het lot te besparen in slavernij te moeten leven. In haar roman heeft Inez van Dullemen dergelijke aantekeningen van Maria Sibylla verwerkt en ongetwijfeld heeft ze ook gebruik gemaakt van Natalie Zemon Davis' boek Women on the Margins (1997) waarin een levensbeschrijving van Merian is opgenomen.

Waarom Inez van Dullemen over zo'n fascinerende vrouw een roman schrijft in plaats van een degelijke biografie is goed voor te stellen: deze vorm geeft haar de vrijheid de talrijke witte plekken in dit levensverhaal naar eigen inzicht in te vullen. En daar is Van Dullemen, die met haar roman over Gertrude Blom genomineerd werd voor de Libris literatuurprijs en bekroond met de Henriette Roland Holstprijs, bijzonder bedreven in. Ze beschikt over een groot inlevingsvermogen en een soepele, beeldende pen waarmee ze moeiteloos personages en situaties uit het verleden oproept.

Ze begint haar verhaal bij Maria Sibylla's jeugd in Frankfurt waar, zoals in heel West-Europa, een tulpenrage had gewoed. Vooral de zeldzame Semper Augustus, de koningin der tulpen, oefende een grote aantrekkingskracht uit, zo ook op de kunstenares in spe die betrapt wordt bij het ontvreemden van een exemplaar uit de tuin van de plaatselijke graaf. Als ze belooft een aquarel te maken van de gestolen tulp zal ze niet worden gestraft en zo begint ze haar carrière als bloemenschilderes. Haar vader is dan al overleden. Tekenen, schilderen en het maken van kopergravures leert ze in het atelier van haar stiefvader, de schilder en drukker Jacob Marrel. Op haar achttiende trouwt ze met Marrels leerling Johann Andreas Graff met wie ze zich in Neurenberg vestigt en van wie ze twee dochters krijgt. Erg gelukkig is het huwelijk niet, maar Maria Sibylla doorstaat de ontrouw van haar echtgenoot door op te gaan in haar werk: het verfijnen van haar teken- en schildertechniek en het bestuderen van rupsen waarvan de metamorfose tot vlinders haar fascineert.

In 1685 vlucht ze met haar dochters naar het Friese plaatsje Wieuwerd om zich aan te sluiten bij de Labadisten, een godsdienstige sekte, gesticht door de Franse, tot het protestantisme bekeerde Jezuïet Jean de Labadie. Vijf jaar leidt ze daar in `het nieuwe Jeruzalem' een sober leven. In de visie van Van Dullemen kan ze het er uiteindelijk niet uithouden, omdat het in de godsdienstige commune niet is toegestaan wereldse geschriften te bestuderen, zodat ze niet in staat is haar honger naar kennis te stillen. Bovendien zou het haar om religieuze redenen verboden zijn te schilderen.

Of Maria Sibylla's wetenschappelijke en artistieke ambities daar inderdaad zo gefnuikt zijn valt te betwijfelen. Ook de, door Van Dullemen niet genoemde, geleerde kunstenares Anna Maria van Schurman was immers een trouw lid van de sekte – ze stierf in 1678 in Wieuwerd – en genoot daar juist grote wetenschappelijke en kunstzinnige vrijheid.

Op haar 43ste vertrekt Merian naar Amsterdam waar ze in de Vijzelstraat een handel begint in aquarellen, kleurstoffen en kunstboeken, alsmede opgeprikte vlinders en geprepareerde insecten. Het eind zeventiende-eeuwse Amsterdam, door Van Dullemen levendig beschreven, was een Mekka voor kunstenaars en wetenschappers. Opdrachtgevers waren er te kust en te keur en al snel verkeerde Maria Sibylla in kringen van verzamelaars van naturalia als burgemeester Nicolaes Wittsen en andere bezitters van rariteitenkabinetten.

Overtuigend schildert Van Dullemen Merians van jongs af aan gekoesterde passie voor vlinders. Nadat ze in Wieuwerd in een rariteitenkabinet de uit Suriname afkomstige reuzenvlinder Morpho Achilles heeft gezien, ontwaakt in haar het verlangen deze soort in zijn land van herkomst te bestuderen.

Dit brengt haar er toe om zich in 1699, 52 jaar oud, samen met haar jongste dochter Dorothea in te schepen naar Suriname, waar ze gedurende twee jaar in primitieve omstandigheden veldwerk verricht in het regenwoud. Bekend is dat ze er van een Nederlandse plantage-eigenaar een aantal slaven koopt. In de fictieve versie van Inez van Dullemen is een van deze slaven de jonge Afrikaanse vrouw Kwasiba die in haar dorp gevangen is genomen door slavenhandelaars. Ze vertelt haar levensverhaal in de – door Van Dullemen vaker met succes beproefde – ik-vorm aan haar ongeboren kind dat op een plantage in Suriname ter wereld zal komen. Aanschouwelijk en aangrijpend zijn de beschrijvingen van de moordende zeereis, de slavenveiling op de binnenplaats van Ford Zeelandia in Paramaribo en het onterende bestaan op de plantage Meerzorg.

Maria Sibylla ontmoet Kwasiba als de radeloze slavin haar kind begraaft. Ze koopt haar vervolgens als huisslavin, een bevoorrechte positie, en neemt haar mee op expedities naar het binnenland van Suriname. Expedities overigens waar Van Dullemen al haar schrijftalent, fantasie en beeldend vermogen op los laat: je ziet, ruikt en voelt het bedreigende regenwoud en de wonderen die Merian er aanschouwt. Waarschijnlijk verzonnen is het verhaal dat Maria Sibylla Kwasiba mee terugneemt naar Nederland, waar de Afrikaanse een doodongelukkig leven leidt. Merian zelf oogst lof met haar Metamorphosis insectorum Surinamensium en correspondeert met de groten der aarde op haar vakgebied. Van Dullemen geeft slechts summiere informatie over de laatste zestien jaar van haar protagoniste. In een epiloog vermeldt ze kort dat in 1717 – het jaar van haar dood – tsaar Peter de Grote een verzameling aquarellen van Sibylla kocht: twee boeken in folioformaat met 254 tekeningen op perkament.

Het probleem met een vie romancée, hoe knap en gewetensvol ook, is dat nooit duidelijk is wat waar gebeurd is en wat niet. Wie naar historische personen even nieuwsgierig is als Maria Sibylla was naar rupsen en vlinders, voelt zich door deze werkwijze tekort gedaan. Gelukkig valt gemakkelijk na te gaan dat de aankoop van Merians werk door Peter de Grote geen fictie is: de aan Merian gewijde tentoonstelling in Teylers Museum bestond voor een belangrijk deel uit de door de Academie van Wetenschappen in St. Petersburg beschikbaar gestelde collectie van de tsaar.

Inez van Dullemen: Maria Sibylla. Een ongebruikelijke passie. Roman. De Bezige Bij, 261 blz. ƒ44,07

Nederlandse literatuur

    • Elsbeth Etty