Zich voor altijd vastgebeten

W.F. Hermans was publiekelijk vervuld van walging voor Nederland. Maar wie de schrijver, die morgen tachtig zou zijn geworden, in Parijs opzocht kon niet aan de indruk ontkomen `dat hij eigenlijk in Nederland woonde'. Het vaderland was een geliefd object van ergernis, maar ook van hartstochtelijke betrokkenheid.

Kort nadat Willem Frederik Hermans (1921-1995) Nederland in 1973 de rug had toegekeerd, begon hij in Het Parool onder de schuilnaam Age Bijkaart berichten uit Parijs te publiceren. In die bijdragen nam hij de gewoonte aan de Franse namen van straten, monumenten en gebouwen in het Nederlands te vertalen: Laan van het Grote Leger, Triomfboog, Noorderstation. Noorderstation... hoe was deze liefkozing van het Nederlands te rijmen met zijn diepe afkeer van alles waar Nederland voor stond? Als ik niet vertrokken was, zo verklaarde hij in diezelfde periode, was ik waarschijnlijk gestikt van verbittering. En om de vraag wat hem ergerde in Nederland, kon hij slechts antwoorden: eigenlijk alles.

Hermans was officieel vervuld van walging. In zijn toegewijde herinneringen aan deze schrijver, opgenomen in de bundel Apollo in Brasserie Lipp, vertelt Raymond Benders hoe opgelucht de auteur zich in Parijs voelde, vijfhonderd kilometer verwijderd van het vaderland. In een brief aan Benders liet Hermans weten `veel gelukkiger dan in Groningen' te zijn, om er onmiddellijk aan toe te voegen: `klinkt dat even idioot!' Het klonk niet alleen vreemd, het is ook de vraag of de waarheid niet een stuk ingewikkelder was. Voelde hij zich misschien mede op zijn gemak omdat in zijn Parijs het Noorderstation niet te ver weg was? Hoe gecompliceerd zijn verhouding tot Nederland bleef, blijkt uit enkele andere bijdragen aan Apollo in Brasserie Lipp. Hermans werd nooit een echte Parijzenaar, schrijft Hella Haasse. Cees Nooteboom zegt het nog duidelijker: `Wie Hermans in Parijs opzocht, kon niet aan de indruk ontkomen dat hij eigenlijk in Parijs in Nederland woonde.'

Apollo in Brasserie Lipp is een eerbetoon aan het werk van Hermans, die op 1 september tachtig jaar oud zou zijn geworden. De titel van deze gevarieerde bundel verwijst naar een passage in `Het grote medelijden', een autobiografisch verhaal van Hermans waarin de hoofdpersoon zich op het terras van deze Parijse brasserie laat meeslepen door overpeinzingen over de Griekse god. De meer dan twintig bijdragen, die behalve in onderwerp ook in soortelijk gewicht grote verschillen vertonen, bestaan uit zowel persoonlijke herinneringen als beschouwingen, die overigens meer een essayistisch dan een literair-theoretisch karakter hebben. Leesbaarheid is een gemeenschappelijk kenmerk. Dankzij de hoogtepunten (afkomstig van Nooteboom, Frida Balk-Smit Duyzentkunst en Wilbert Smulders, die als enige twee bijdragen leverde) is het een bundel die de liefhebbers van Hermans niet mogen missen. Hoe groot deze schare nog is, blijkt niet alleen uit het feit dat zijn werk nog geregeld wordt herdrukt, maar ook uit de grote belangstelling voor het Hermans-festival, dat de naar hem genoemde stichting in september vorig jaar in Amsterdam organiseerde. De stukken in Apollo in Brasserie Lipp zijn voor een belangrijk deel bewerkingen van de lezingen die daar werden gehouden.

De verklaarde afkeer van Nederland dateerde zeker niet van het moment dat Hermans vertrok, na een onverkwikkelijke interventie van enkele gereformeerde Tweede-Kamerleden die in hun vragen aan de minister van Onderwijs hadden gesuggereerd dat Hermans aan de Universiteit van Groningen zijn taak als lector in de fysische geografie niet naar behoren vervulde. Meer dan twintig jaar eerder al, in de roman Ik heb altijd gelijk, werd het vaderland achtereenvolgens getypeerd als een diepe put, een gaskamer van verveling en een beschimmelde, zure rest, achtergebleven in een uitgeschraapte pan. Twee decennia later, in Herinneringen van een engelbewaarder, bleek er in het oordeel van Hermans weinig veranderd te zijn. In dit boek wordt de natie vergeleken met een muizenhol en een mierenhoop. Nederland is klein, nietig, provinciaal. In zijn werk meet de schrijver bij herhaling uit dat wij in mei 1940 nauwelijks iets gedaan hebben om ons te verdedigen en vervolgens te onbetekenend waren om iets bij te dragen aan de nederlaag van Hitler. Nederland bleef na 1945 bestaan dankzij andere landen. Kleine naties, zo meende hij, kunnen en willen niets doen, ze willen hoogstens meedoen (`we mogen niet achterblijven').

Het enige waarin Nederland vooropliep was de drang om zijn eigen taal om zeep te helpen door gretig een groot aantal `Amerikanismen' te absorberen. Hier uitte zich volgens Hermans `de bestiale behoefte zijn achterwerk te ontbloten voor de opperaap'. Wat je van ver haalt, is lekker. Dit gezegde stond voor een houding die in zijn ogen onverdraaglijk was. Hij had een grondige minachting voor Nederland, maar het meest had hij een hekel aan de Nederlandse gewoonte om te denken dat alles wat uit andere landen komt, beter is. `Iedere Hollander heeft de pest aan Holland. Dat is onze cardinale eigenschap', zo laat hij Arthur Muttah in De tranen der acacia's zeggen. Deze karaktertrek was ook Hermans zelf niet vreemd, maar riep tegelijk zijn afkeuring op. Als hij stuitte op de Nederlandse gewoonte zich te verlustigen aan de eigen onbetekenendheid, reageerde hij met afschuw.

In een van zijn Age Bijkaart-brieven stelde hij vast dat Nederlandse premiers het nooit over Nederland of de Nederlanders hadden. Eigen land en volk waren kennelijk niet de moeite waard om in toespraken te noemen. Het leek wel of Nederland in de ogen van zijn eigen gezagsdragers niet bestond. `Een bijzonder aangenaam gevoel is dat toch niet', vond Hermans. En hoe had hij er anders over kunnen denken? Ten slotte was hij een Nederlandse schrijver, die er bovendien nooit een geheim van maakte dat hij zichzelf in die hoedanigheid als een groot talent beschouwde. Om die reden was het onverdraaglijk dat Nederlanders hun eigen natie kleineerden. Het vaderland riep weerzin op, maar het was voor Hermans een vijand die een zo belangrijk deel van hemzelf was dat elke geringschatting van dat deel ook een inbreuk was op de betekenis van zijn schrijverschap. Nederland gaf aanleiding tot ergernis, maar ook tot een gepassioneerde betrokkenheid.

In Apollo in Brasserie Lipp schrijft Wilbert Smulders, in een bijdrage over het ontstaan van Mandarijnen op zwavelzuur, dat Hermans onmiddellijk na de oorlog met een niets ontziende ernst al zijn kaarten op het schrijverschap zette. De jonge auteur ontmoette volgens zijn eigen waarneming niets dan onbegrip en tegenwerking. Het kostte de grootste moeite zijn eerste romans, Conserve en De tranen der acacia's, gepubliceerd te krijgen. Veel afwijzende reacties waren zijn deel. Na de publicatie in 1951 van Ik heb altijd gelijk moest hij zich zelfs verantwoorden voor het gerecht omdat hij het katholieke volksdeel zou hebben beledigd. Verkopen deden zijn boeken nauwelijks: het succes kwam pas later, in de jaren zestig. Alle tegenslagen en teleurstellingen kwamen volgens Smulders midden jaren vijftig tot ontploffing met de publicatie van de pamfletten die in 1964 werden gebundeld in Mandarijnen op zwavelzuur. Geen uitgever was bereid deze aanval op het literaire establishment op de markt te brengen en Hermans moest het werk in eigen beheer uitgeven. Zijn voormalige vrienden Hans Gomperts, Adriaan Morriën en Adriaan van der Veen kwalificeerden zijn wijze van strijd voeren als `fascistisch'. Maar het isolement dat zijn deel werd, was zeker niet alleen toe te schrijven aan het gedrag van anderen. Het aandeel van Hermans zelf was aanzienlijk.

Het is al vaak beweerd: mislukking, achterdocht, bedrog, wraak, haat en strijd zijn de grote thema's van zijn werk. Voor Hermans gold in hoge mate dat schrijven bestaat uit het blootleggen van je karakter. Terecht noemen de redacteuren van deze essaybundel, Benders en Smulders, het verhaal `Het grote medelijden' (uit de bundel Een wonderkind of een total loss) een sleuteltekst in het werk van Hermans. Hoofdpersoon Richard Simmilion bekent dat minachting en haat voor hem de middelen zijn om contact met de wereld te krijgen. Het zijn instrumenten om de verlegenheid te overwinnen die sinds zijn jeugd zijn bestaan bepaalt. Zoals sommige mensen met één been door het leven moeten, zo sleept Richard altijd deze eigenschap met zich mee. Hoezeer dat het geval bleef, komt nog eens bijtend naar voren in een passage uit het eveneens autobiografische `Afscheid van Canada', dat Hermans in 1991 publiceerde in De laatste roker: `Iemand die mij gelukwenst weet niet hoeveel groter genoegen hij mij zou doen door ter plekke dood te vallen.'

Strijd leveren als middel om te overleven: in die houding is bij Hermans het wezen van de man en het wezen van zijn oeuvre nauwelijks te onderscheiden. Als je het werk van een schrijver goed kent, aldus Hella Haasse in Apollo in Brasserie Lipp, weet je precies hoe hij is en hoef je hem eigenlijk niet meer te ontmoeten. Hermans slaagde erin van zijn zwartgalligheid de motor van zijn creatieve energie te maken. In zijn werk is haat nooit blind, maar altijd gestileerd. Ware het anders, dan was Hermans nooit de grote schrijver geworden die hij onbetwistbaar was. Hij was in dit opzicht bewust emotioneel en paranoïde. Ook in zijn verhouding tot Nederland gebruikte hij zijn negatieve emoties om al zijn kennis, ervaringen en waarnemingen op een literair overtuigende manier over te brengen.

Smulders schiet in de roos met zijn opmerking dat de schrijver van Mandarijnen op zwavelzuur kankert, klaagt en afbreekt maar dat hij dit doet met grote toewijding. De collega's die in dit boek worden gekraakt zijn in de literaire ogen van Hermans niet meer dan nietige insecten. Niettemin is duidelijk dat hij hun geschriften met grote aandacht heeft gelezen. Met diezelfde nauwkeurigheid en overgave observeerde hij ook talloze andere facetten van het vaderlandse bestaan: omdat hij wist dat de natie, hoe onbeduidend ook, tegelijkertijd onontkoombaar en dus belangrijk was. `Vaderland', zo vraagt de verzetsman Henri Osewoudt zich in De donkere kamer van Damokles vertwijfeld af, `wat is dat? De blauwe tram? De gele tram?' Hermans besefte heel goed dat het om veel meer ging. Het vaderland was altijd aanwezig, niet alleen in de taal die hij als schrijver gebruikte, maar ook in de talloze indrukken, gewoonten en reflexen die hij sinds zijn geboorte had meegekregen en die hij nooit meer kon kwijtraken. De natie was in zijn woorden als een brok lijm, waarin je bijt en waaruit je je tanden nooit meer los kan trekken.

Het vaderland sleep je altijd met je mee of je wilt of niet. De hoofdpersoon in het verhaal `Een veelbelovende jongeman' (uit de bundel Een landingspoging op New Foundland) is tijdens zijn reis door Canada geobsedeerd door alles wat hem herinnert aan Nederland. De blauwe autonummerplaten met witte letters blijken identiek te zijn, de oevers van de St. Lawrence doen hem denken aan de Lekstreek en het carillon dat hij tegenkomt speelt een melodie die klinkt als `Wien Neerlands Bloed'. Al die associaties roepen bij de hoofdpersoon gevoelens van haat op, die echter aan zijn opmerkingsgave niets af doen. Integendeel, de waarnemingen in het werk van Hermans worden gekenmerkt door een grote waarheidsliefde, zoals Frida Balk-Smit Duyzentkunst uitlegt in haar boeiende bijdrage over de locaties in De tranen der acacia's.

Vrijwel alle romans van Hermans zijn òf in Nederland gesitueerd òf hebben een Nederlandse inslag doordat ze, hoewel zich elders afspelend, vol staan met commentaren op het vaderland. Met een scherpe blik observeert deze auteur talrijke nationale karaktertrekken, van onze antimilitaristische geestesgesteldheid tot onze culinaire voorkeuren. In Herinneringen van een engelbewaarder beschrijft Hermans een groep marcherende soldaten in de meidagen van 1940. Ze hebben geen wapens meer, dragen de helm in de nek en het uniform losgeknoopt. Ze lopen te joelen alsof ze zojuist een overwinning hebben behaald. Een generaal in Nederland, zo schreef Hermans op een andere plaats, is als een magazijnchef in een oudroestwinkel.

In de roman Onder Professoren besluit Gré Dingelam om haar man Rufus, die zojuist het bericht heeft ontvangen dat hij de Nobelprijs voor scheikunde krijgt, te verrassen met zijn lievelingsgerecht. Dat is nog een moeilijke keuze, want hij is dol op een balletje gehakt vol nootmuskaat, maar ook op gerookte paling. Gré kiest voor de paling, maar thuisgekomen brengt ze haar hooggeleerde echtgenoot tot wanhoop door de delicatesse verkeerd te behandelen. Het is winter en de paling moet, om goed schoongemaakt te kunnen worden, eerst tien minuten op de verwarming liggen. Alleen dan kan de graat helemaal worden verwijderd. Het idee dat er ook maar een enkel eetbaar vezeltje van de lekkernij aan de graten of het vel blijft hangen, bezorgt Rufus hartkloppingen.

Het portret van het echtpaar Dingelam maakt duidelijk dat Hermans, kijkend naar Nederland vanuit Parijs (waar deze roman werd geschreven), soms klem zat tussen afkeer en affectie. En wat voor de auteur gold, was opnieuw ook op de persoon Hermans van toepassing: hij vond Nederland vreselijk, maar voelde zich er verknocht aan. Nooteboom vertelt in zijn bijdrage dat hij bij zijn bezoeken aan Parijs door zijn gastheer eerst een half uur werd getrakteerd op een tirade tegen alle Nederlandse schrijvers en journalisten met wie Hermans een vete had. Bij voorkeur koos Hermans personen uit van wie hij wist dat ze met Nooteboom waren bevriend, zoals Harry Mulisch. Na deze exercitie volgde vaak een gezamenlijke wandeling door de stad en bij een van deze gelegenheden kwam het tweetal onverhoeds dezelfde Mulisch tegen. `Wim!' `Harry!' Niet één, maar twee Nederlandse schrijvers in de buurt! Hermans genoot zichtbaar en besloten werd tot een gezamenlijk bezoek aan een gelegenheid. Het werd heel gezellig. Tot Nooteboom voorstelde om dit opmerkelijke samenzijn op de foto vast te laten leggen. Hermans weigerde verontwaardigd. Zijn Nederlandse publiek zou wel eens op verkeerde gedachten kunnen worden gebracht.

Een schrijver, zo was de overtuiging van Hermans, moet schrijven over wat hij het beste kent: zijn afkomst, zijn ervaringen, zijn land. Wat dat laatste betreft was literatuur in zijn ogen `het te boek stellen van het geweten van de natie'. Hij wist zich vastgeklonken aan Nederland en het Nederlands en aarzelde niet zichzelf in dit opzicht een nationalist te noemen. Wat zou er gebeuren als het vaderland verdween? Die vraag kon hem kwellen, want het zou de vernietiging van zijn schrijverschap betekenen. Niemand die zo goed besefte dat Nederland klein is en provinciaal. Die wetenschap leidde tot wanhoop, afkeer en wrok. Maar een schrijver moet, zo was zijn vaste overtuiging, juist zijn obsessies literair exploiteren.

Wat is wereldliteratuur, zo vroeg Hermans zich in Mandarijnen op zwavelzuur hardop af. Niets anders, aldus zijn antwoord, dan literatuur die zich afspeelt in een kleine omgeving, maar die zo is geschreven dat er over de hele wereld belangstelling voor bestaat. Ook voor de provincie Nederland gold dat zij iets authentieks en onvervreemdbaars heeft. Dat unieke element moet de schrijver doorgronden en literair verbeelden, zodat het niet langer provinciaal is maar universele betekenis krijgt. De wijze waarop Hermans die taak heeft volbracht maakte hem niet wereldberoemd, maar wel een van de beste schrijvers van èn over Nederland.

Raymond J. Benders en Wilbert Smulders (red.): Apollo in Brasserie Lipp. Bespiegelingen over Willem Frederik Hermans.

De Bezige Bij/Willem Frederik Hermans Instituut, 256 blz. ƒ49,90