Wim Heisenberg, ECB-president

Het lijkt zo eenvoudig: als er te veel geld in omloop komt tegenover de hoeveelheid circulerende goederen in een economie, dan zullen de prijzen van die goederen toenemen. Te veel geld in omloop, kortom, veroorzaakt inflatie. Vandaar dat de Europese Centrale Bank een doelstelling heeft voor de groei van de geldhoeveelheid: als die groei te hoog is ten opzichte van de `referentiewaarde' van 4,5 procent, dan is het zaak de rente op te schroeven om de komende inflatie te temmen.

Simpel? De praktijk is hopeloos. De ECB hanteert een brede definitie van `geld'. Stappen bijvoorbeeld Amerikanen in en uit euro-geldmarktfondsen of kortlopende leningen, dan verstoren ze daarmee de gemeten geldhoeveelheid. Dat effect kan, zo bleek in mei, oplopen tot 1,5 procent. Deze week bleek de geldgroei in juli alweer te zijn opgelopen, tot 6,4 procent. Toch verlaagde ECB gisteren zijn rente. Ook ditmaal moest de geldgroei volgens de centrale bank niet al te nauw genomen worden. Omdat de rente op langlopende obligaties gedaald is tot het niveau van kortlopend schatkistpapier, hebben beleggers hun fondsen verschoven naar die korter lopende beleggingen, die vallen binnen de definitie van `geld'. En gisteren zei Duisenberg dat de geldgroei ook nog opwaarts was beïnvloed omdat burgers meer geld aanhouden vanwege de hoge energieprijzen. Dat telde kennelijk ook niet echt.

Zo is er altijd wel wat, en dat is precies de reden waarom de Amerikaanse en de Britse centrale banken na een kort experiment de geldgroei in de jaren tachtig snel weer loslieten als anker voor het monetaire beleid. Onder economen wordt al een kwart eeuw geruzied over de betekenis en definitie van de geldgroei, en of de vraag naar geld wel stabiel genoeg is om er beleid op te kunnen voeren.

De Duitse Bundesbank bleef de geldgroei, in dit geval de brede M3-definitie, trouw. En van die Bundesbank erfde de ECB haar beleid. Resultaat is dat, terwijl de ECB juist rekenschap wil afleggen met een duidelijke strategie en doelstelling, het tegendeel wordt bereikt. De geldgroei is een doelstelling die, in plaats van objectief te zijn, de verdenking op zich laadt alleen te worden ingeroepen als het Frankfurt goed uitkomt. Vrij naar de quantumfysicus Heisenberg geeft dat het `onzekerheidsprincipe van Duisenberg': een waarnemer zal nooit weten wanneer de geldgroei al dan niet een rol speelt bij het ECB-beleid. Alleen al daardoor is de hoofdrol van deze pijler onder het monetaire beleid uitgespeeld. Maar het kan nog even duren voor de ECB haar trots inslikt en die conclusie trekt.