Verstikkend netwerk van Beckett

Geen kruidenveld, geen door een wingerd begroeide kasteelmuur in Nederland lijkt deze zomer veilig voor theater. Morgenavond gaat in een Limburgse kasteeltuin Les Liaisons Dangereuses naar de gelijknamige film in première. De aankomende avonden is in verschillende lustoorden van villa's en landgoederen in Zeeland de monoloog Eerste liefde van Samuel Beckett te beluisteren, gespeeld en verteld door de Vlaamse acteur Bert André.

Ik zag de voorstelling op de Kasteelberg van Nisse, een dorp onder Goes waar eens het Slot ter Nisse stond. Alleen de toegangspoort verwijst nog naar iets roemrijks. En dan natuurlijk de plaats van handeling: een monumentale lindeboom, met een bankje rondom de stam, die een lichte heuvel in de tuin bekroont. Misschien is die tuin niet meer dan Een stip op de wereldkaart, zoals de Zeeuwse dichter Hans Warren het zou noemen, maar dank zij de taal van Beckett en het spel van Bert André wordt juist die ene plek, net zoals de dichter Warren dat wil, vereeuwigd.

Door de strekking van het grimmige, ook zwartgallige proza van Beckett, geschreven als novelle in 1946, ondergaat de lieflijke plaats een transformatie. De tuin verandert in een kerkhof en zelfs een groezelig bordeel. In Eerste liefde beschrijft Beckett met een maniakale detaillering de ontmoeting van een eenzame man met een vrouw, die prostituee blijkt te zijn.

De ontmoeting vindt plaats op de sterfdag van zijn vader. Aan geboorte en dood-symboliek nooit gebrek bij Beckett. Hij betrekt bij haar een kamer achter de keuken. 's Nachts hoort hij het gesteun van de mannen, die haar bezoeken. Er wordt een kind geboren. Het gegil drijft de man weer de lege wereld in. Het gaat over de fatale vloek van de liefde, over de `vernietigende kracht' ervan, over liefde `als verbanning' naar kille oorden.

Bert André draagt een sjofele eenzame-mannen-jas, hoedje op. Uit een muziekbox klinkt een jankende treurmars. Met zijn grote acteurskop, knoestig en weerbarstig als oud hout, kan hij een oneindig scala aan emoties oproepen. Wat Beckett feitelijk zegt kan samengevat worden in een one liner. Maar daar gaat het niet om, het draait om de ritmiek van vreugde en ergernis, verlangen en weerzin, afhankelijkheid van de geliefde en zucht naar vrijheid. Elke zin wordt beheerst door tegenstrijdige gevoelens. Het is een netwerk dat steeds strakker wordt aangehaald, tot verstikkens toe.

Uiteindelijk desintregeert de man en kan hij nauwelijks helder denken. Die momenten van verwarring, van taal die met de spreker op de loop gaat, vertolkt André voortreffelijk. Hij schept ironische distantie tussen zichzelf en de armzalige man, aan wie je ook een gezonde hekel kunt krijgen. Maar toch, in weerwil van zijn stuitende zelfingenomenheid en zijn lugubere, belachelijke weerzin jegens vrouwen, wekt hij deernis op.

Het vreemde is dat de vrouw, die door André met stemverdraaiing wordt opgeroepen, steeds meer aan de winnende hand is. Zij geniet van leven en liefde, zij zorgt ervoor een kind te krijgen en zich daardoor te wapenen tegen de vergankelijkheid. Ontegenzeggelijk is zij de krachtigste personage van het tweetal, en hij de hulpeloze loser die nooit iets zal bereiken.

Bert André speelde in 1995 in Brussel ook deze monoloog. De toeschouwers zaten op het podium, de acteur was een verdwaalde zwerver tussen de wit bepoederde zetels, als grafzerken, van de zaal. Eertijds overheerste een surrealistische stijl, nu kozen regisseur Albert Lubbers en André voor een psychologisch realisme. Alle inzet van het spel ligt bij het geloofwaardig maken en vooral dichtbij brengen van deze verkrüppelte ziel. En dat lukt. Aan het eind verdwijnt André tussen de bomen, hoofd tussen de schouders getrokken, op zoek naar het volgende kerkhof, en een nieuwe vrouw aan wie hij zich gaat ergeren.

Voorstelling: Eerste liefde van Samuel Beckett. Gezien: Zeeland Nazomer Festival, Kasteelberg Nisse, 30/8. T/m 8/9 in diverse kasteeltuinen. Res.: (0118) 659659. Website: www.nazomerfestival.nl.