Seks is de beste wraak

De Cubaanse emigré-auteur Guillermo Cabrera Infante mag graag vertellen over dat ene exemplaar van zijn roman Tres Tristes Tigres dat op zijn geboorte-eiland aanwezig schijnt te zijn. De eigenaar heeft door een hoek van het boek een gat geponst waar een ketting doorheen is getrokken waarmee hij het boek aan een sofa bevestigde. Literatuurliefhebbers kunnen per uur die sofa huren. Met het boek, uiteraard. Het bewijst, aldus Infante, `dat in Cuba zelfs de literatuur aan ketenen ligt.'

Apocrief of niet, een mooie anekdote is het wel. Dat van een vrije pers in Cuba geen sprake is, dat de beste auteurs van het land in ballingschap leven, het mag bekend worden verondersteld. Toch verschijnt er af en toe een boek van een Cubaanse auteur die zijn land (nog) niet heeft verlaten en dat goedwillende buitenstaanders mag doen veronderstellen dat er toch een hoopgevende marge aan bewegingsvrijheid bestaat. In de vroege jaren negentig was Senel Paz' novelle El lobo, el bosque y el hombre nuevo een voorbeeld daarvan, en dan met name vanwege de succesvolle verfilming onder de titel Fresa y chocolate (Aardbeien en chocola). Het boek zelf werd oorspronkelijk in Mexico gepubliceerd en schijnt mondjesmaat in Cuba verkrijgbaar te zijn geweest, maar de film was in Havana geruime tijd te zien en werd te pas en te onpas opgevoerd als voorbeeld van de kwaliteit van het culturele bestaan op het Caribische eiland.

Dat lot viel, later in de jaren negentig, niet ten deel aan Abilio Estevez, in wiens Eiland van de eeuwigheid op schitterende, in escapistisch fabulisme verpakte stijl gestalte werd gegeven aan het verstikkende eiland-gevoel. Het boek is, bij mijn weten, nooit in Cuba uitgebracht, maar de auteur werd ook niet opgepakt en leeft volgens de berichten het gemarginaliseerde bestaan waartoe dissidente intellectuelen en kunstenaars veroordeeld zijn.

Nu kan Estevez' werk door een simpele ziel nog gelezen worden als een boek dat zich niet uitlaat over de dagelijkse werkelijkheid op Cuba, maar dat kan absoluut niet gezegd worden van Dirty Havana Trilogy, een lijvige schandaalkroniek die haar titel volledig waarmaakt en die ik iedereen kan aanraden die in de literatuur een weerspiegeling zoekt van wat Reve ooit half-spottend `het volle leven' noemde.

Zwarte markt

Gutiérrez' boek speelt in het midden van de jaren negentig, toen de armoede in Cuba een dieptepunt had bereikt. Het uiteenvallen van de Sovjet-Unie had de Russische hulp aan het land vrij abrupt tot stilstand gebracht en het land zakte, overgelaten aan de opbrengsten van de eigen miserabele economie, naar een nog deplorabeler niveau. Niet alleen Infante's boek was geketend, ook het bestek in de armoedige restaurants zat met een ketting aan de tafels vast. Overal werd gestolen, iedereen bood overal illegale waar aan, naar schatting veertig procent van de agrarische en industriële productie verdween op de zwarte markt. Wie in die jaren in Cuba was, werd getroffen door de enorme vindingrijkheid van het volk; het allermooiste vond ik de manier waarop op de pizza's de (onvindbare) plakjes mozzarella waren vervangen door gesmolten Chinese condooms (die de Cubaanse mannen sowieso al nooit hadden willen gebruiken voor het doel waarvoor ze bestemd waren, omdat ze uiteraard geacht werden te klein te zijn voor hun eigen gargantuesk geschapen delen).

Deze tijd en plaats zijn het decor van het boek van Pedro Juan Gutiérrez, van wie de flap vermeldt dat hij enkele bundels poëzie publiceerde en in Havana woont. Zijn hoofdpersoon heeft dezelfde voornamen en is een voormalige radio-journalist die gedesillusioneerd is geraakt in zijn vak. `In een modelsamenleving bestaan geen misdadigers en onaangename zaken [...] alles moet er mooi uitzien. Maar ik kan geen uitgelezen teksten schrijven in zulke wanhopige tijden. Ik schrijf om de mensen een beetje te schokken en anderen te dwingen de stront te ruiken. Dat is mijn manier om de lafaards te terroriseren en de mensen die ons muilkorven dwars te zitten.'

Met zo'n houding ben je in Havana tot een bestaan van schooien veroordeeld, en dat is dan ook wat Pedro Juan doet. Hij woont op het dak van een gebouw, gescheiden van zijn buren door kartonnen muurtjes of geïmproviseerde gordijnen. `Ik voelde me thuis in dat stinkgebouw, met mensen die geen opleiding hadden of wat dan ook, die van niks wisten en die alles oplosten, of juist erger maakten, met geschreeuw, beledigingen, geweld en vuisten.' Hij rolt van het ene illegale baantje in het andere, het lucratiefst is de verkoop van als varkenslever aangeprezen menselijke levers die uit het mortuarium gestolen zijn. Soms doen zijn handeltjes hem achter de tralies belanden.

Alle weerbare vrouwen om hem heen prostitueren zich, maar Pedro Juan is vindingrijk genoeg om zijn aandeel in het plezier dikwijls gratis te krijgen, en niet alleen met Luisa met wie hij af en toe samenwoont. Hij is bovendien blank, een niet onbelangrijk voordeel in de zogenaamd racisme-vrije Cubaanse samenleving. Er valt voor de arme bewoners van de stad helemaal niets te doen; geld om uit te geven aan iets meer dan de dagelijkse behoeften is er niet. Het is rommelen geblazen om een paar pesos waarmee wat illegaal gestookte rum of dito verbouwde marihuana gekocht kan worden. Maar één ding kost helemaal niets voor de Cubanen, en dat is seks. `En dus neuken we ons maar suf,' zoals de gangbare uitdrukking in die tijd luidde.

Het woord erotomaan is een zwakke beschrijving voor Pedro Juan. Op bijkans elke pagina wordt zijn begeerte wel opgeroepen, soms door de aanblik van zijn copulerende buren, andere keren moet hij het doen met een vrouw die hij eerder te oud en te lelijk heeft bevonden om zelfs maar aan te raken. Het boek is schaamteloos macho in een mate die vermoedelijk alleen maar een Cubaanse man tegenwoordig voor zijn rekening durft te nemen. Hoewel masturbatie eigenlijk beneden zijn stand is (`ik voel me net een idioot') houdt hij van de geur van zijn eigen oksels als hij zo bezig is; `de geur van zweet windt me op, het is betrouwbare, zoet-geurende seks.' Vooral als zijn Luisa 's nachts geld aan het verdienen is, is dat zijn enige kans, maar als ze terug is doen ze het weer uren lang, `op alle manieren, in bed, op de stoel, tongen, vingers, alles, in elke opening. We vrolijkten de zaak op met een halve fles rum.'

Apartheid

Alles wat het Cuba van de jaren negentig behalve de armoede en de seksuele honger typeerde is aanwezig, van de feitelijke apartheid die er in het land heerst (met de dollarlozen aan de ene kant en de dollarbezitters aan de andere) tot de primitieve santeria-rituelen die door het regime weer veel openlijker getolereerd worden dan tevoren. Toch is dit boek niet alleen de moeite waard vanwege het documentaire-gehalte, als ruw materiaal voor de toekomstige Le Roy Laduries die willen weten hoe het werkelijk toeging in die jaren voor Castro doodging. Daarvoor is Gutiérrez' proza te gul en beeldend, en weet hij de zintuiglijke kwaliteiten van zijn bestaan te smakelijk op te dissen.

Zijn bestaan is armetierig, zijn geschooi is niet zoals hij zich het leven had voorgesteld, maar de seks, of soms alleen maar de belofte daarvan, maakt veel, zo niet alles goed, en is de wraak van de verworpene op zijn lot.

Gutiérrez schrijft, met de aardse wijsheid van de onderligger: `De politici en geestelijken denken dat ze alles kunnen veranderen door pure wilskracht, maar zo werken de dingen niet. Wij mensen zijn nog steeds wilden, verraderlijk en egoïstisch. We zonderen ons liever van de meute af en kijken van een afstand toe, veilig buiten bereik van de dichtklappende kaken van onze medemensen. En dan komt er weer een ander langs die zegt dat we loyaal moeten zijn aan de meute.'

Na bijna vierhonderd pagina's wil het de lezer wel eens te veel worden, de voorraden sperma-uitstoot die theekopjes kunnen vullen, de even willige als majestueuze mulattas met hun altijd maar sappige billen en benen. `De enige manier om hier te leven is gek, dronken of in slaap,' vertelt iemand hem, maar Pedro Juan weet allang dat nog een andere tijdpassering zijn prioriteit heeft. De nieuwe mens is er na al die veertig jaren niet gekomen, zo schampert hij, het enige soort mens dat de revolutie heeft geschapen is hij en zijn gelijken. Zijn boek is als een uitbundig feest na afloop van een begrafenis. Als er een exemplaar het eiland bereikt – en dat zal allang gebeurd zijn, Cubanen zijn als gezegd vindingrijk – zal er naar mijn inschatting meer dan een ketting nodig zijn om het in te tomen.

Pedro Juan Gutiérrez: Dirty Havana Trilogy. Uit het Spaans vertaald door Natasha Wimmer. Faber & Faber, 392 blz. ƒ33,95.

De Nederlandse vertaling komt in januari uit bij Vassallucci.

Buitenlandse literatuur