Schuldgevoel achter de afro

Weinig mensen hebben zo drastisch en consequent hun leven omgegooid als soulzanger Al Green (1946). Al Green, bekend van hits als Let's Stay Together, Love and Happiness en L-O-V-E, was begin jaren zeventig de grootste soulster van het moment, met alle aardse geneugten van vrouwen, drugs en geld vandien. Binnen een paar jaar deed hij afstand van die status. Van wereldse zanger werd Green een hartstochtelijk predikant. Sinds eind jaren zeventig heeft hij een eigen kerk, de Full Gospel Tabernacle in Memphis, vlakbij Elvis Presley Boulevard.

In Greens autobiografie Take Me To The River, verdienstelijk opgetekend door David Seay, is de spanning tussen het sacrale en het seculiere dan ook het voornaamste onderwerp. Schuldbewuste twijfel tussen glans en glamour, of een sober leven in dienst van God was de meeste soulzangers uit die tijd niet vreemd, vertelt Green. Nagenoeg iedere soulzanger had immers leren zingen in de kerk. Het verloochenen van die afkomst kan schuldgevoelens veroorzaken. Zeker met een vader als die van Al Green. In een treurige scène, in hun armzalige onderkomen in Grand Rapids, Michigan breekt vader Greene (de `e' heeft Al later laten vallen) Als platen van Jackie Wilson en James Brown op zijn knie. Dat zijn zoon hier naar luisterde en bovendien na schooltijd in een band profane liedjes zong, was reden om hem het huis uit te zetten.

Daarmee begon Greens carrière als pooier, autowasser en bandleider van The Creations en Al Green & The Soulmates. Ondanks een hit, Back Up Train, werd het niets met die groepen. Pas toen Green solo ging en in 1969 producer Willie Mitchell tegen het lijf liep, kwam zijn talent tot bloei. Ze namen samen ongeveer tien lp's op. En als hij niet in de studio zat, was Green wel op tournee. Hij laat het een en ander doorschemeren over rijen vrouwen die klaarstonden om zijn eenzaamheid te verlichten. En hij laat ook niet na te vertellen hoezeer hij in de smaak viel; als kleine jongen al.

Op het hoogtepunt van zijn roem, beleeft Al Green een openbaring. In een hotel in Disneyland roept de Heer hem tot zich. In een opzienbarend moment van helderheid hoort Green zichzelf praten in tongen, en zich overgeven aan het erbarmen van Jezus. Toch is dit voor Green nog niet genoeg om zich te laten bekeren. Er is een sterker teken nodig. In 1974 gooit zijn minnares Mary Woodson na een ruzie een pan kokende grits (grutten) over hem heen en schiet zichzelf vervolgens dood. In de acht maanden die hij daarna in het ziekenhuis ligt, besluit Green dat hij gehoor moet geven aan het liedje dat hij zelf een paar jaar eerder geschreven had, `Jesus Is Waiting'.

Vanaf dat punt jast Green de rest van zijn geschiedenis er in een paar bladzijden doorheen. Misschien is er teveel onoirbaars gebeurd, waar de bekeerling niet meer aan wil terugdenken. Zo wordt het onderwerp drugs volledig buiten beeld gehouden. Als openbare boetedoening is dit boek daarom niet geheel geslaagd. Als verslag van Greens zware weg naar de top en de daaropvolgende, ontnuchterende ontdekking des te meer.

Al Green en David Seay:

Take Me To The River.

Payback Press, 343 blz. ƒ66,85