Onthoofd als een eitje

Wie de loopgraven niet heeft meegemaakt, kan niet met recht over de oorlog spreken, vond Henri Barbusse. Zijn roman `Het vuur' beschrijft de gruwelen van de frontsoldaten in de Eerste Wereldoorlog. Die was voor Barbusse ook een persoonlijke loutering.

`Een verachtelijk, laag en verslappend boek', oordeelde de rechtse nationalist Léon Daudet over Le feu (Journal d'un escouade) van Henri Barbusse (1873-1935), `een boek dat alleen de vijand kan dienen'. Maar het lukte hem niet zijn mede-juryleden te overtuigen, want in 1917 werd Barbusse's oorlogsroman (het jaar tevoren gepubliceerd als feuilleton en daarna als boek) bekroond met de Prix Goncourt. Bij het publiek was het succes zo mogelijk nog groter, eind 1918 bleken er al een kwart miljoen exemplaren van te zijn verkocht.

Toch verstomden de protesten niet. Zo was er in hetzelfde jaar 1918 een Frans officier, op officiële missie in de Verenigde Staten, die het Amerikaanse publiek meende te moeten waarschuwen tegen de valse voorstelling van de oorlog in Barbusse's roman. De schrijver reageerde verontwaardigd. Waar haalde deze officier zijn kennis vandaan? `Bent U eenvoudig soldaat in de loopgraven geweest?' vroeg hij per open brief, `Nee? Spreek dan niet over dat wat U niet kent'.

Barbusse zelf had wèl recht van spreken. In de zomer van 1914 had hij zich – 41 jaar oud – als oorlogsvrijwilliger gemeld, om vervolgens anderhalf jaar het lot van de gewone frontsoldaten te delen. Wat er in zijn boek stond had hij zelf gezien of uit betrouwbare bron vernomen. Voor het eerst kwamen die gewone frontsoldaten, via zíjn empathische pen, aan het woord om hun kijk op de oorlog te geven. De officier daarentegen vertegenwoordigde de officiële propaganda, die er alles aan gelegen was om de oorlog mooier voor te stellen dan zij in werkelijkheid was.

Teneinde deze `leugens' te ontzenuwen had Barbusse Le feu geschreven. De propaganda, gehaat door de soldaten die wel beter wisten, vergrootte de kloof tussen front en thuisfront, die Barbusse juist had willen dichten. De waarheid was daarom niet een `gif' dat het moreel van de troepen verzwakte. Eerder het tegendeel: pas nu werden de ogen van het publiek geopend voor de werkelijkheid van het front en voor de heroïek van de poilus, die ondanks alle ellende dapper hun plicht bleven doen.

Details

In tal van losse episodes vertelt Barbusse over de lotgevallen van zijn `escouade' (te vertalen met compagnie of peloton), gelegerd aan het westfront dat sinds september 1914 was verstard tot een uitzichtloze loopgravenoorlog. Rooskleurig is zijn vertelling inderdaad allerminst. Het mechanische geweld, het massale sterven, de regen, de modder, de kou, de afstomping en de verwarring van de simpele infanteristen komen er haarscherp in tot uitdrukking, vaak met gruwelijke details.

Zo bijvoorbeeld treffen Barbusse en zijn kompanen een veroverde Duitse loopgraaf aan: `Een feldwebel zit tegen de uiteengereten planken geleund die een luisterpost vormden op de plek waar we onze voeten zetten. Er zit een gaatje onder zijn oog: een bajonetsteek heeft hem met zijn gezicht tegen aan de planken vastgepind. Vóór hem zit nog een man, met de ellebogen op de knieën, de vuisten tegen de hals; de hele bovenkant van zijn schedel is er afgeslagen als bij een zachtgekookt ei... Naast hen beiden staat, als een afschuwelijke wachter, een halve man: hij is doorgesneden, van de schedel tot het bekken in tweeën gehakt, en leunt rechtop tegen de aarden wand'.

Maar de Franse gesneuvelden worden in de beschrijvingen evenmin gespaard. In hetzelfde hoofdstuk ziet Barbusse een hoofd op de grond staan, `een bloedeloos en vochtig hoofd met een zware baard'. En dan lezen we: `Het is iemand van ons: de helm ligt ernaast. De opgezwollen oogleden laten iets van het doffe glazuur van zijn ogen zien en in de donkere baard glimt een lip als een slak. Waarschijnlijk is hij in een granaattrechter gevallen die door een andere granaat weer dicht is gegooid; zo is hij tot de hals begraven...'

Zulke passages schokten de lezers, al zullen ze niet weinig hebben bijgedragen aan het succes van het boek. Barbusse beschikte, net als zijn grote voorbeeld Zola, over het vermogen de werkelijkheid ongewoon beeldend op te roepen, waardoor je nog altijd het gevoel krijgt: ja, zo en niets anders moet het geweest zijn.

Een soortgelijk realisme kleurt de vele weergegeven gesprekken tussen de soldaten. In het korte poëticale hoofdstuk `Krachttermen' wordt het expliciet aan de orde gesteld. Wanneer een soldaat Barbusse aantekeningen ziet maken, vraagt hij: `Als je in je boek de gewone soldaten laat praten, laat je ze dan praten zoals ze praten of kalefater je 't stiekempjes wat op?' Barbusse belooft al hun krachttermen `op de plaatsen te zetten waar ze horen', en hij heeft woord gehouden. Met als gevolg een authentiek aandoende rauwheid van dictie, doorspekt met argot, die later navolging zou vinden bij Céline, zijn leven lang een vurig bewonderaar van Barbusse.

In de nu als deel vier van de fraaie reeks `Oorlogsdomein' verschenen nieuwe vertaling van Le feu (de eerste stamt al uit 1918) heeft Mechtild Claessens deze onopgesmukte spreektaal ietwat afgezwakt. De soms fonetisch gespelde uitspraken, voorzien van veel apostrofs, laten zich nu eenmaal moeilijk in het Nederlands weergeven zonder lachwekkend te worden. `I'zyeutait l'ciel' wordt daarom `z'n ogen naar de hemel' of `J'te dis, moi, qui veul'tent not'peau' wordt `Ik zal je 'ns wat zeggen, ze willen ons kapot hebben'. Helemaal hetzelfde is het niet, maar rauw en realistisch blijft de tekst ook in deze verder uitstekende vertaling, behalve daar waar de schrijver zelf het realisme achter zich laat. Want ook al was zijn roman naar eigen zeggen `un livre de vérité', de waarheid mocht niet beperkt blijven tot enkel literair realisme. Barbusse blijkt in Le feu tevens een visionaire dichter met een politieke boodschap, en de lezer krijgt niet veel kans die boodschap over het hoofd te zien.

Sanatorium

De visionaire dimensie dient zich al meteen aan in het eerste hoofdstuk, waar hoog in de Alpen een groepje onthechte sanatorium-patiënten (vergelijkbaar met de personages in Thomas Manns Der Zauberberg uit 1924) reageert op het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Bij voorbaat `zien' zij de komende loopgravenstrijd, compleet met soldaten als `monsterlijke schipbreukelingen' en een aarde die veranderd wordt in een `druipende vlakte, doorploegd met lange evenwijdige kanalen, uitgehold door gaten vol water'. Over de soldaten lezen we dat zij `hun menselijk gelaat [opheffen], waarin eindelijk een wil ontkiemt'.

Vrijwel hetzelfde tafereel keert terug in het laatste hoofdstuk, wanneer Barbusse en enkele soldaten (Fransen én Duitsers) verzeild raken in het doorregende nachtelijke niemandsland en daar de dageraad afwachten. Het is alsof de Zondvloed is losgebarsten, alles staat onder water en even lijkt het `vuur' van de oorlog gedoofd. Onder deze uitzonderlijke en zeer symbolische omstandigheden vinden de soldaten voor het eerst de passende woorden voor wat hen overkomt. De werkelijkheid van de oorlog is nauwelijks voorstelbaar voor wie het niet heeft meegemaakt, menen zij, en wie het wel heeft meegemaakt, vergeet het bijna meteen weer.

Toch is het van belang het vergeten tegen te gaan, want, zoals een van hen zegt: `Als ze 't zich zouden herinneren [...] dan zou er geen oorlog meer zijn'. Overal op het doorweekte slagveld klinkt opeens de kreet: `Geen oorlog meer, geen oorlog meer'. Waarna Barbusse, als een verlossing brengende profeet, uitlegt wat daarvoor noodzakelijk is: gerechtigheid oftewel gelijkheid. Aan de oorlog kon pas definitief een eind komen als de strijd veranderde in een sociale revolutie, een voortzetting en in zekere zin ook een complement van de Franse Revolutie.

Met bijna dezelfde intentie was Barbusse in 1914 de oorlog ingegaan, als een typisch Franse republikein voor wie humanisme en patriottisme twee zijden van dezelfde medaille vormen. De ervaringen in de loopgraven, waar hij voor het eerst van nabij kennismaakte met het gewone volk, zorgden echter voor een niet onbelangrijke verschuiving. Barbusse verloor zijn laatste resten pessimisme (nog dominant in zijn eerste roman L'enfer uit 1907) en verwachtte het heil sindsdien alleen van een internationale proletarische revolutie. Wat dit betreft bleek de oorlog, behalve voor de mensheid, ook voor hem persoonlijk een zinvolle loutering.

Binnen de groep Clarté, die Barbusse in 1919 met enkele geestverwanten oprichtte en die als een `Internationale van de geest' de `Internationale der volkeren' zou moeten gidsen, meende hij dat die revolutie zonder geweld kon plaatsvinden. Naarmate hij meer sympathie kreeg voor het Russische bolsjewisme, verminderde zijn pacifistische gezindheid, om tenslotte geheel te verdwijnen. In 1923 trad hij toe tot de Franse Communistische Partij en werd – in de dankbare woorden van `volkscommissaris' Loenatsjarski – niet zomaar `een sympathieke meeloper, maar onze vriend, kameraad en medestrijder'.

Stalin

Dat was geen woord te veel gezegd. Barbusse ontpopte zich als een loyaal partijganger, die zich gewillig liet gebruiken als intellectueel boegbeeld van de partij. Alle koerswijzigingen binnen het internationale communisme volgde hij zonder noemenswaardige kritiek, hetgeen door niets beter wordt onderstreept dan door zijn laatste, vlak vóór zijn dood in 1935 gepubliceerde boek: een hagiografie van Stalin.

In Le feu kondigt deze ontwikkeling zich slechts aan. Daardoor is de roman ook voor niet-communisten (en dat is tegenwoordig bijna iedereen) nog altijd zeer de moeite waard. Niet zozeer vanwege de politieke boodschap, die er met apocalyptisch pathos wordt ingehamerd, als wel vanwege de realistische evocatie van het meedogenloze frontleven en de liefdevolle aandacht voor de gewone soldaten, die Barbusse in een reeks van even kleurrijke als aandoenlijke verhalen aan de anonimiteit van regen, modder en geweld heeft weten te ontrukken.

Henri Barbusse: Het vuur. Dagboek van een escouade. Vertaald door Mechtild Claessens.

De Arbeiderspers. 427 blz. ƒ49,95

Oorlog