Ongeluk is aanstellerij

Leest men de twee titels van Mark Boog (1970) in de juiste chronologische volgorde, dan lijkt er niet zoveel aan de hand. Dan kan men zijn debuutbundel Alsof er iets gebeurt waarderen als hedendaagse `pantoffelpoëzie', zoals Peter de Boer vorig jaar deed in Trouw, als huiselijke verzen waarin veel `klein geluk' wordt bezongen. Maar wie begint met zijn roman, De vuistslag, en pas daarna de gedichten leest, krijgt een minder pantoffelige indruk. Het lukte mij althans niet meer om er vredige tafereeltjes in zien. Eerder leken het mij behoedzame pogingen het hoofd binnen- of buitenshuis boven water te houden. `De kunst die we beoefenen', heet het wat afgemeten in een van de gedichten, `is die van het in toom houden, het beteugelen'. Er gebeurt dan misschien niets, maar elk moment kán er iets gaan gebeuren, zo wordt keer op keer gesuggereerd, en wie weet met onoverzienbare gevolgen. Door elk raam loert een onbestemd gevaar en achter elk gordijn staat bij wijze van spreken iemand klaar om dat gevaar te weren, liefst met één volmaakte vuistslag.

Ook in De vuistslag gebeurt ogenschijnlijk helemaal niets, maar broeit het onderhuids des te meer. Een naamloze man van onbestemde leeftijd ligt in het ziekenhuis bij te komen van een pak slaag dat hij op straat heeft opgelopen. Zomaar, zonder aanleiding, zegt hij tegen de politieagenten, die hem steeds weer komen ondervragen. Een geval van zinloos geweld? Of toch een vergeldingsactie, omdat de man zelf (`Ik ben geen lieverdje') ook losse handjes blijkt te hebben? Uitsluitsel hierover blijft uit, omdat we geen betrouwbaar feitenmateriaal voorgelegd krijgen. Mark Boog weet ons fraai op te sluiten in het verbeeldingsvolle brein van de ziekenhuispatiënt, die het liefst zelf aan het woord is en op de argwanende vragen van zijn bezoekers (`Word je opgesloten? (...) Hoeveel jaar?') geen antwoord geeft.

Het is een interessant, maar ook wel wat benauwend perspectief waarin weloverwogen uiteenzettingen over uiteenlopende onderwerpen en bloemrijke klaagzangen over het vernederende ziekenhuisregime worden afgewisseld met ontluisterende flitsen uit een handtastelijk verleden. We komen er niet goed achter wie de man nu eigenlijk is: een gewetenloze griezel die bij wijze van tijdverdrijf automobilisten, kinderen en vriendinnen molesteerde, een slimme amateurfilosoof, een zielige patiënt, overgeleverd aan de grillen van artsen, verplegers en bezoekers (die waarneemt hoe zelfs de gordijnen door de open ramen het muffe ziekenzaaltje proberen te ontvluchten), of toch een gewone burger die na zijn herstel een nieuw, oppassend leven begint?

De vraag is natuurlijk wat er met dit ietwat onbehaaglijke geheel, gevat in opmerkelijk soepel lopende, kraakheldere en laconieke formuleringen, precies gezegd wil zijn. Ik vermoed dat Boog aan de hand van zijn anonieme held of antiheld wil laten zien dat er van alles tegelijk mogelijk is en dat zich in één persoon verschillende types kunnen ophouden: een driftig baasje en een weerloze patiënt, een denker met verrassende inzichten en een belhamel, een ergerniswekkende querulant en een oppassende burgerman, die de buren toeknikt, kranten leest, keukenkastjes uitsopt, planten water geeft, kookt, strijkt, wast, gras maait en onkruid wiedt. `Tuinieren tot het einde', zoals de laatste, onheilspellende zin van de roman luidt. Een eindoordeel wordt niet geveld. Het enge van De vuistslag is dat het niet wezenlijk lijkt uit te maken wie of wat iemand is. De categorieën goed en slecht zijn hier niet van toepassing. `De ene toestand is zo goed als de andere', zoals de hoofdpersoon het zelf uitdrukt. `Geluk is bedrog, ongeluk is aanstellerij.'

Het enige waar het steeds weer om lijkt te draaien, net als eerder al in de gedichten van Boog, is dat men op een of andere manier zijn gezicht probeert te redden, in welke omstandigheden dan ook. Ofwel, zoals het nogal komisch wordt geformuleerd door de patiënt, die onder ogen moet zien dat hij in de kreukels ligt: `Men heeft ook tegenover zichzelf een beeld op te houden'. Het maakt daarbij niet uit welke rol men vervult, – die van ruiteningooier of brave borst.

Aan de basis van de roman ligt een weinig opgewekt mens- en wereldbeeld, waarin het al te feilbare individu niet telt en zoiets als naastenliefde ver te zoeken is. `Men houdt meer van zijn luie stoel dan van zijn medemens', merkt de hoofdpersoon droogjes op, `dat is logisch. Een vulpen ligt een mens nader aan het hart dan een vriend. De auto gaat voor de geliefde. (...) Daarom ook probeert iedereen de ander voor zijn karretje te spannen. (...) Men doet een poging de ander tot gebruiksvoorwerp te promoveren, tot iets om van te houden. Men is vol goede wil.'

Voor de lezer die houvast wil, of hoogstaande normen om naar te leven, is De vuistslag vermoedelijk een wat teleurstellend boek. Maar wie toch al wat sceptischer was ingesteld, zal veel genoegen kunnen beleven aan de frisse en eigenlijk tamelijk vrolijke manier waarop hij ons inpepert dat we ons beter maar niet te hoge verwachtingen van het leven kunnen maken. Of, zoals hij het in een van zijn gedichten al uitdrukte: `In de studie van de zinloosheid vinden wij de zin.'

Mark Boog: De vuistslag. Meulenhoff, 174 blz. ƒ29,75

[streamliner] Mark Boog weet ons fraai op te sluiten in het brein van de ziekenhuispatiënt

Nederlandse literatuur