Nynke's huwelijk

Pieter Verhoeff ver- filmde in `Nynke' het leven van de schrijfster Nienke van Hichtum, die ongelukkig getrouwd was met Pieter Jelles Troelstra. Maar misschien was Nynke, oftewel Sjouk- je Bokma de Boer, niet zo ongelukkig.

Een succesverhaal was het niet, het huwelijk van de befaamde SDAP-leider Pieter Jelles Troelstra met de Friese domineesdochter Sjoukje Bokma de Boer, zelf bekend als Nynke fan Hichtum (in het Nederlands Nienke van Hichtum) schrijfster van onder meer Afkes tiental. Na bijna twintig jaar met de door zijn aanhang aanbeden politicus getrouwd te zijn geweest, zware jaren van armoede, maatschappelijke verguizing en een zwakke gezondheid, moest Sjoukje een paar maanden kuren in het buitenland. Bij haar terugkomst in Nederland vertelde de man die haar grote liefde was en bleef, dat hij het had aangelegd met zijn twintig jaar jongere huishoudster. Of ze maar wilde ophoepelen.

Sjoukje en haar leeftijd- en provinciegenoot Pieter Jelles trouwden in 1888 met elkaar. Ze kregen twee kinderen en leidden een ongewoon gezinsleven, dat eindigde in een drama.

Althans, dat is de interpretatie van cineast Pieter Verhoeff. In zijn ontroerende en bij tijd en wijle oogverblindend mooie, Fries gesproken, film Nynke schetst hij het leven van een vrouw die worstelt met conflicten tussen moederschap en ambitie, liefde en afhankelijkheid en uiteindelijk wegzinkt in depressies of, zoals dat in haar tijd werd genoemd, hysterie.

Op haar 25ste ontmoette Sjoukje de rechtenstudent Pieter Jelles Troelstra, in de film vertolkt door Jeroen Willems, die een aanzienlijk joyeuzere indruk maakt dan de harkerige, fanatieke politicus die wij van foto's en uit overlevering kennen. De kennismaking had plaats op het jaarlijkse Groningse studentenbal, een gerenommeerde huwelijksmarkt. Troelstra, zo blijkt uit zijn Gedenkschriften, was zich na een eerdere vastgelopen relatie enige tijd te buitengegaan aan hoerenbezoek, maar nu, in zijn laatste studiejaar, vond hij het tijd voor een verloving.

In de film vallen ze onmiddellijk voor elkaar en als Troelstra haar vleiend vraagt hoe het mogelijk is dat zo'n mooie, begaafde vrouw als zij nog steeds geen man heeft, antwoordt zij met een onweerstaanbare glimlach: ,,Omdat ik op jou heb gewacht.'

Deze scène is cruciaal. Hij is weliswaar historisch onvolledig onvermeld blijft dat ook Sjoukje een ongelukkige liefde achter de rug had maar het is aannemelijk dat ze inderdaad op iemand als Pieter Jelles had gewacht, op een man met wie ze haar passie voor literatuur en voor de Friese cultuur kon delen, een sociaal bevlogen dichter met wie ze kon samenwerken en op een gelijkwaardige manier samenleven. Dat was wat zij van een huwelijk verwachtte, voor minder deed ze het niet. Aanvankelijk leek haar droom in vervulling te gaan. Troelstra was redacteur van het tijdschrift For Hûs en Hiem, waarin Sjoukje al snel de kinderrubriek ging schrijven. Nog voor hun huwelijk in 1888 verscheen haar eerste boek Teltsjes yn skimerjoun (Verhaaltjes in de schemering), een bewerking van verhalen van Richard von Volkmann. Maar toen Pieter Jelles meer en meer werd opgeslokt door de fel oplaaiende sociale strijd moest Sjoukje natuurlijk opdraaien voor hun twee kleine kinderen. Ook in financieel opzicht was dat geen sinecure. Troelstra's liberale vader liet zijn oudste zoon om politieke redenen vallen en passeerde hem als opvolger in de directie van zijn verzekeringsmaatschappij. In 1892 schreef hij Pieter Jelles het zeer te betreuren dat deze door zijn `sociaaldemokratische wanbegrippen' zijn levensgenot zou verwoesten, zijn vrouw en kinderen in het ongeluk zou storten en, `zoo men uwe ideeen wilde toepassen, de gehele maatschappij'.

Monomaan

De voorspelling dat Troelstra de maatschappij te gronde zou richten is niet uitgekomen, hij heeft, zeker voor arbeiders, veel bereikt maar dat hij met zijn op de politiek gefixeerde monomane gedrag zijn vrouw geen leuk leven heeft bezorgd is zo goed als zeker. Vrijwel altijd was hij van huis, vooral nadat hij in 1894 de SDAP had opgericht en regelmatig werden Nynke en de kinderen het slachtoffer van woedende Oranjeklanten of andere tegenstanders die hun ruiten kwamen ingooien en hen bedreigden met geweld, onder het zingen van liederen als:

Hop hop hop

hang de socialisten op

aan een touw

aan een touw

Pieter Jelles en zijn vrouw...

Verhoeff volgt vrij nauwgezet de historische feiten, met als voornaamste bronnen de vierdelige memoires van Troelstra, het opstel over Nienke van Hichtum in Wormcruyt met suycker, een historisch overzicht van de Nederlandse kinderliteratuur door D.L. Daalder, en de archieven van het Frysk Letterkundich Museum in Leeuwarden. De directeur van dit museum, Tineke Steenmeijer, publiceerde een vie romancée over Sjoukje Bokma waar Verhoeff duidelijk uit heeft geput. Ook kon hij gebruik maken van de bevindingen van journaliste Aukje Holtrop, die een biografie over de geestelijke moeder van Afkes tiental voorbereidt.

Voor Sjoukje Maria Diederika Bokma de Boer, in de film gespeeld door een gedreven Monic Hendrickx (onder andere bekend uit De Poolse Bruid) begon het allemaal in de oude pastorie van Nes. Als jongste van vijf dochters van de vrijzinnige dorpsdominee had ze een beschermde jeugd. Verhalen voorlezen en vertellen, vooral gedurende de koude Friese winters, was een geliefd tijdverdrijf. Twee vrouwen die huishoudelijke taken in en rond het domineeshuis verrichtten, ontpopten zich tot rasvertelsters en omdat ze beiden Nynke heetten werd dit het pseudoniem waaronder ze later haar eigen verhalen ging publiceren. Van haar vijftiende tot haar negentiende bezocht ze de kostschool van de Remonstrantse dominee M.W. Scheltema in Dokkum, waar ze een min of meer klassieke opleiding genoot met een sterke nadruk op literatuur. Bij haar afscheid van de school kreeg ze te horen dat ze een geboren schrijfster was en werd ze gemaand haar talent te benutten. Voorlopig hielden huishoudelijke plichten en de zorg voor een zieke moeder de voorrang.

Ook Sjoukje was een idealistische socialist, zelfs nogal dweperig, maar een echte partij-activiste zoals Henriette Roland Holst of de Haagse romancière Cornélie Huygens is ze nooit geworden. In 1901 schreef ze in Het Volk, het partijdagblad van de SDAP, waarin ze ook kinderboeken recenseerde, dat sociaaldemocratische vrouwen zich nuttig konden maken voor de partij door ,,de courant voor onze mannen altijd netjes te bewaren en den geheelen jaargang volgens den datum op elkaar te leggen'.

Condoom

In het huwelijk met partijleider Troelstra moet het toen al fout hebben gezeten. Verhoeff suggereert dat het in bed niet boterde tussen hen, omdat Troelstra na de geboorte van zijn kinderen seks niet meer nodig vond. In een aandoenlijke scène tovert Nynke in de film opeens een condoom te voorschijn, besteld bij partijgenoot dr.J. Rutgers, in Frankrijk geproduceerd met een fluwelen randje, waarmee ze hem tevergeefs tot de liefdesdaad probeert te verleiden.

Wat in werkelijkheid geleid heeft tot de huwelijkscrisis is nooit opgehelderd. Vermoedelijk kon Troelstra niet tegen Sjoukjes zwakke gezondheid. Bovendien Verhoeff gaat daar niet expliciet op in heeft ze aan de extreem zware, 24 uur durende bevalling van haar zoon Jelle waarschijnlijk zowel lichamelijke defecten overgehouden als een nooit genezen kraamvrouwenpsychose.

In zijn Gedenkschriften vermeldt Troelstra dat hij in 1892 tijdens een bezoek aan zijn toekomstige partijgenoot F. Wibaut in Middelburg naar Leeuwarden werd teruggeroepen omdat zijn toen 39-jarige echtgenote ernstig ziek was. Volgens hem bleek uit haar ziekte dat zij ,,tegen de moeilijkheden van mijn [Troelstra's] leven niet was opgewassen'. Wat hij er discreet niet bij vertelde was dat Sjoukje krankzinnig geworden was. Ze had gloeiende kolen in haar handen genomen en was op het nippertje door de dienstmeid gered. In de film levert dit een schokkend moment op, gevolgd door een al even schokkende ziekenhuisopname in het Utrechtse diaconessenhuis, waar ze in handen valt van een hoogleraar die aan schedelmetingen doet. Hij adviseert haar zich geheel te wijden aan man en kinderen en haar eigen ambities eraan te geven.

Echtgenoot Pieter Jelles herinnerde zich de episode die hierop volgde als een martelgang, waarin hij in zijn gezin ,,ondanks het idealisme, waarmee mijn vrouw zich bij mijn werk aansloot, niet den steun vond, waaraan ik bij mijn strijd in en voor de beweging behoefte had'.

Maar ook Sjoukje, die in diezelfde tijd uitgroeide tot de gevierde kinderboekenschrijfster Nienke van Hichtum, voerde een strijd waarbij ze wel wat steun kon gebruiken. Achteraf is het onvoorstelbaar dat ze in haar omstandigheden een vrijwel alleenstaande moeder zonder regelmatig inkomen en lijdend aan ernstige psychische stoornissen stug heeft doorgewerkt aan een oeuvre waarvan generaties kinderen hebben gesmuld.

Op basis van verhalen die ze haar dochtertje en zoontje vertelde over haar eigen jeugd in Nes, waar de kinderen in de sneeuw eskimootje speelden, schreef ze twee boeken over eskimokinderen: Sip-Su, de knappe jongen (1897) en De geschiedenis van den kleinen Eskimo Kudlago (1898).

Aangespoord door Nellie van Kol, eveneens recensente van kinderboeken en de vrouw van Troelstra's fractiegenoot in de Tweede Kamer, Henri van Kol, begon ze aan een jeugdserie over `natuurvolken', wat resulteerde in de boeken Oehoehoe; hoe een kleine Jongen page bij den koning werd (1899), Oehoehoe in de wildernis (1900) en Een Kafferse heldin of Oehoehoe en Oezinto (1901).

Haar grote succes, Afkes tiental, een verhaal over een Fries arbeidersgezin, moest toen nog komen. Het verscheen in 1903, het jaar van de grote spoorwegstaking en de mislukte algemene staking waarin Troelstra een hoofdrol vervulde. Het land stond op zijn kop, maar in het parlement werd de gevreesde leider van de SDAP door Kamervoorzitter Mackay en het liberale Kamerlid Mees gecomplimenteerd met het prachtboek van zijn vrouw.

IJdeltuit

In de film wordt Nienke van Hichtums succes breed uitgemeten, maar niet de reactie daarop van Troelstra, een van de grootste ijdeltuiten uit de Nederlandse politiek (hij sprak en schreef over zichzelf als `een volksheld') en iemand die maar moeilijk iemand naast zich kon velen die meer in de smaak viel dan hij. Opvallend is dat Pieter Jelles in zijn memoires geen woord wijdt aan de kwaliteit van Nynkes boeken. Het enige dat hij over haar werk kwijt wil is dat het ,,een geluk was, dat op deze wijze onze inkomsten eenigszins werden vermeerderd, want de plannen voor de verdere opvoeding der kinderen zouden geld kosten'. Mogelijk was Troelstra jaloers op zijn vrouw, zeker is dat hij zich als echtgenoot verwaarloosd voelde en meende dat hij recht had op Sjoukjes zorg, die zij hem door ziekte en literaire aspiraties niet voldoende kon geven.

Hoe losten andere socialistische vrouwen of vrouwen van socialisten het conflict tussen hun taken als huisvrouw en behoefte aan zelfontplooiing op? Pieter Verhoeff geeft in zijn film twee voorbeelden: kinderboekenschrijfster Nellie van Kol en romanschrijfster en socialistisch activiste Cornélie Huygens. De eerste werd bedrogen door haar man en vluchtte in de godsdienst, met de tweede liep het nog slechter af. Verhoeff suggereert, zonder dat daar historisch een aanwijzing voor is, dat Troelstra verliefd was op de deftige Cornélie, die wegens haar adellijke moeder `de freule' werd genoemd. In 1902 verdronk zij zich op vierenvijftigjarige leeftijd in de vijver van het Vondelpark. Een maand ervoor was ze getrouwd met ene Ignatius Bahlman, SDAP-lid en vertaler van haar succesroman Barthold Meryan. In Amsterdam ging het gerucht dat zij zelfmoord had gepleegd omdat haar man tijdens hun huwelijk intieme contacten bleef onderhouden met zijn eerste vrouw.

Waarom Verhoeff het drama van Cornélie Huygens zo uitspint is niet helemaal duidelijk, maar geestig is wel dat zij op haar beurt in Barthold Meryan, een socialistische sleutelroman, ook een rolletje weglegde voor Troelstra, die erin optreedt onder de naam Thornton. Hij wordt voorgesteld als een verstandige, nuchtere politicus met aan zijn zijde een zweverige, al te idealistische echtgenote.

Piepjong

Om van haar kwalen welke dat ook geweest mogen zijn te genezen stelde Sjoukje zich in verbinding met de toen bekende vrouwelijke arts Anna Fischer-Dückelmann in Dresden, waar ze regelmatig ging kuren. Tijdens een van deze kuren begon de 47-jarige Troelstra een relatie met zijn piepjonge huishoudster, die trouwens ook Sjoukje heette.

In de film Nynke lijkt het alsof Sjoukje 1 moet wijken voor Sjoukje 2, maar in werkelijkheid is het waarschijnlijk niet Troelstra geweest die een echtscheiding voorstelde. Dit blijkt uit een brief van Sjoukje Bokma aan het partijbestuur van de SDAP, die is opgenomen in de Gedenkschriften van Troelstra en waarvan het origineel in bezit is van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam. In dit misschien wel meest curieuze document uit de geschiedenis van de Nederlandse arbeidersbeweging vraagt ze de partij clementie voor haar overspelige echtgenoot en onthult ze dat zij al in 1905 met het plan rondliep zich wegens haar voor hem zo belastende ziekte van haar man te laten scheiden, maar dat Troelstra hier tegen was. ,,Als ik dat absoluut wou doorzetten, dan was 't maar beter dat we samen een einde aan ons leven zouden maaken', citeerde zij hem. Gelukkig was dat nu niet meer nodig, want ,,als door een wonder werd ik nu geholpen om mijn besluit van twee jaar geleden uit te voeren doordat in mijn man plotseling een nieuwe liefde is ontwaakt'. Ten slotte riep ze haar partijgenoten op Pieter Jelles niet te veroordelen omdat ,,Troelstra geen barbaar (is), die zijn arme, zieke vrouw verstoot voor een jonge geliefde, ik geen ongelukkig verstooten schepsel (ben), maar een vrije vrouw met een krachtige wil en dito geest, al moge haar lichaam dan ook zijn kracht verloren hebben'.

Kort daarop trouwde Troelstra met Sjoukje Oosterbaan, wier toewijding hij `onbegrensd' noemde en die hem ,,in een zuivere atmosfeer van geestelijken steun en lichamelijke verzorging heeft doen ademen en werken'.

En Nienke van Hichtum? Zij redde zich en was opvallend genoeg na de scheiding nog maar heel zelden ziek. Ze maakte cultuurreizen naar het buitenland en bleef doorschrijven, wat onder andere resulteerde in de niet te versmaden jeugdboeken Jelle van Sipke-Froukjes (1932) en Schimmels voor de koets of vlooien voor de koekenpan (1936). Toen ze in 1939 in haar slaap overleed had ze Pieter Jelles negen jaar overleefd. Een vrije vrouw met een krachtige wil en een dito geest zo kan je het ook bekijken.

Nynke gaat 6 september in première