Niet bij het hoofd alleen

Waarom zouden mensen de biografie lezen van een filosoof, dus van iemand die het moet gaan om ideeën en niet om particuliere feiten? En waarom dan ook nog die van een filosoof die niets meemaakte, nooit reisde, altijd in dezelfde stad bleef wonen, nooit dronken werd, en mogelijk zelfs o gruwel, de genadeklap voor een moderne biograaf nooit seks had?

Immanuel Kant was zo'n man, zo wil het verhaal. In de latere Romantiek werd, vooral door Heine, een karikatuur gemaakt van Kant, als representant van een steriel rationalisme, een en al Kopf in plaats van een mens van vlees en bloed, een man die met ijzeren regelmaat zijn dagelijkse wandeling maakte, die zichzelf in een machine had veranderd.

Manfred Kuehn heeft nu een voorbeeldige biografie van hem geschreven, die dat beeld relativeert. Kants leven was inderdaad meer dan een lange cerebrale middagwandeling. Hij was een gepassioneerd, geestig en impulsief mens, die hield van gezelschap, zich elegant kleedde en gedroeg, en begeesterd kon discussiëren over politiek, kunst en meer prozaïsche beslommeringen. Ja, hij stond elke dag om 05.00 uur op, gaf les van 07.00 tot 11.00 uur en ging dan wandelen maar zo'n vreemde dagindeling was dat nu ook weer niet voor een Pruisische hoogleraar in de achttiende eeuw. Ook dat hij vrijgezel bleef, was niet bizar: veel academici konden zich, zoals Kant ooit over zichzelf moet hebben gezegd, een huwelijk financieel niet permitteren toen ze er behoefte aan hadden, en hadden er geen behoefte meer aan toen ze het zich eenmaal konden permitteren. Na zijn veertigste, twee bijna-verlovingen en een turbulente echtscheiding in zijn vriendenkring zette hij de gedachte aan een huwelijk definitief uit zijn hoofd.

Succes

Kant is zo het bewijs dat een aansprekende biografie ook mogelijk is van een filosoof die niet suïcidaal, erotomaan of nazi was, zoals enkele grote denkers van de twintigste eeuw die de laatste jaren in biografieën zijn gevat. Er is meer mooi aan dit boek. Kuehn, bibliograaf van de Amerikaanse Kant Society en hoogleraar te Marburg, schrijft helder en beheerst, zijn feitenkennis is feilloos en zijn vermogen Kants werk uit te leggen, bewonderenswaardig.

Kuehn plaatst Kants leven overtuigend in de culturele en politieke context van de achttiende eeuw, van zijn kinderjaren als zoon van een kleinburgerlijke, vrome Meister leerbewerker in Königsberg de stad waar hij zijn leven lang zou wonen en werken tot zijn roem als de grootste filosoof van zijn tijd. Kants systeem, vastgelegd in zijn drie grote `kritische' werken, geldt nog steeds als het kroonjuweel van de Europese Verlichting en een waterscheiding in de geschiedenis van de westerse filosofie. In de Kritiek der reinen Vernunft (1781), een breuk met alle speculatieve metafysica, maakte Kant duidelijk dat kennis tot stand moet komen via de zintuiglijke ervaring, maar tegelijk dat die ervaring mede wordt vormgegeven door het menselijk intellect. Het is een onderneming die in de twintigste eeuw, op geheel eigen wijze, zou worden herhaald door Wittgenstein, evenals Kant zowel op zoek naar de aard en grenzen van menselijke kennis, als naar ruimte voor moraal en `een goed leven'. Kants ethiek, in de Kritik der praktischen Vernunft (1788), is een burgerlijke plichtsethiek, waarin het kenmerk van een waarlijk morele handeling luidt dat die tot `algemene wet' moet kunnen worden verheven. In de Kritik der Urteilskraft (1790) ontwikkelt Kant een esthetica met oner meer het klassieke onderscheid tussen het `schone' (datgene wat de menselijke zintuigen bevalt door zijn vorm) en het `sublieme' (datgene wat bevalt juist omdat het tegengesteld is aan de zintuigen: een woestijn, een poollandschap).

De trilogie van Kant markeerde een definitieve breuk met de traditionele Europese metafysica, die al onder vuur lag sinds Descartes. Maar hij bereidde ook de splitsing voor tussen de op begripsanalyse gerichte Angelsaksische filosofie en de meer `diepzinnige', op wijsheid koersende filosofie die voorbij Kant wilde komen, zoals het Duitse idealisme, de fenomenologie en andere vormen van continentale wijsbegeerte. Vooral in de Engelse academische wereld wordt Kant nu nog intensief bestudeerd, al wordt ook daar zijn `transcendentale idealisme' de overtuiging dat de objectieve werkelijkheid tot stand komt door onze cognitieve kaders door vrijwel niemand meer gedeeld.

Kuehns biografie maakt eens te meer duidelijk hoe revolutionair Kants optreden ook in maatschappelijk opzicht was. Twijfel aan de absolute pretenties van de theologie, laat staan openlijk atheïsme, was gevaarlijk in Pruisen. De Pruisische koning Frederik Wilhelm II was bovendien een Rozenkruiser, een quasi-mysticus die niets moest hebben van filosofen. Kants reputatie als Alleszermahler, een kille iconoclast die niets heel liet van een `wetenschappelijke' theologie, was in die context op zijn minst risicovol. Voor Kant bestond de waarde van godsgeloof in het bieden van een basis voor moraal en een deugdzaam leven, de rest het geloof in Jezus, het gebed, priesters was overbodige franje. Hij verdedigde ook de vrijheid van drukpers tegen de Pruisische censuur en toonde zich enthousiast over de Franse Revolutie, al ontkende hij dat er een universeel recht bestond op revolutie.

Met Die Religion innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft (1794), een aanval op de georganiseerde godsdienst, ging hij tenslotte te ver. De koning liet Kant en andere intellectuele `renegaten' schriftelijk waarschuwen dat ze zich van antireligieuze uitlatingen moesten onthouden, op straffe van `onaangename maatregelen'. Kant gaf toe en beloofde niet meer over religie te publiceren. Die `lafheid' is hem later kwalijk genomen, maar hij kon moeilijk anders. Voor de 70-jarige, hypochondrische, geconstipeerde en honkvaste Kant zou een beroepsverbod of een verbanning een ramp zijn geweest, misschien zelfs zijn dood hebben betekend. Na de dood van de koning hervatte hij zijn campagne voor de Verlichting: uit die tijd stammen zijn kleine werken Uber die Ewige Friede (1795), over kosmopolitisme, en Die Streit der Fakultäten (1798), waarin hij de onafhankelijke positie verdedigt van wijsbegeerte aan de universiteit.

Als de grote werken ter sprake komen, is Kuehn al halverwege Kants leven. De filosoof is dan eindelijk hoogleraar logica en metafysica aan de universiteit van Königsberg. Rond zijn veertigste beleeft hij een morele wedergeboorte, die de weg bereidt voor zijn latere werk, maar die ook ingrijpende gevolgen heeft voor zijn privé-leven. Tot dan toe was hij een elegante, extraverte man van de wereld geweest, zelfs `something of a dandy', aldus Kuehn, en een `foppish man of society'. Hij gold als hoogbegaafd, maar was zelf diep sceptisch over de waarde van zijn eigen werk.

Na 1764 veranderde dat alles. Kant stortte zich op zijn werk, ging minder uit en gaf zijn mondaine gewoontes eraan. De crisis waaraan Kant zo ontkwam, werd waarschijnlijk veroorzaakt door zijn hypochondrie, de twijfel over zijn bekwaamheid, en, wie weet, het uitblijven een huwelijk. Nu beschouwde Kant zelf het veertigste levensjaar als het moment waarop een man een `rijp karakter' kan ontwikkelen, niet door zichzelf te ontplooien juist niet! maar door zichzelf in de plooi te krijgen. Deugd komt niet vanzelf, zoals de door hem bewonderde Rousseau meende. Cruciaal voor Kant was zijn vriendschap met de Engelse koopman Joseph Green, een man die zo streng vasthield aan vaste morele beginselen dat hij een heftig gesticulerende Kant glashard voorbijreed toen die een keer luttele minuten te laat kwam opdagen voor een gezamenlijk ritje met paard en wagen. Omwille van de stoïcijnse Green gaf Kant het kaartspel op, alsmede het luisteren naar muziek, alsook andere frivoliteiten. De elegante Magister veranderde in een man van principes met een uiterst voorspelbare manier van leven.

Gastheer

Greens invloed ging nog verder. Hij was zelfs zo nauw betrokken bij de Kritiek der reinen Vernunft dat Kuehn spreekt van een `collaborative effort'. Kants meesterwerk werd evenzeer geboren uit dialoog, als uit solitair denkwerk. Na Greens dood in 1786 trok Kant zich nog meer terug uit de society en, in plaats van uit eten te gaan, ontving hij voortaan gasten aan huis een traditie van Green die hij wilde voortzetten. Op het hoogtepunt van zijn roem was hij de meest bezochte gastheer van Königsberg, een `vrolijke en onderhoudende man', altijd smaakvol en verzorgd gekleed, die, tot verbazing van zijn gasten, `gretig en zelfs sensueel' kon eten.

Kants laatste jaren, waarin hij pijnlijk aftakelde en zijn intellect in hoog tempo verschrompelde, worden door Kuehn empathisch maar weinig verhullend beschreven. De Romantiek was in opkomst, filosofen als Schelling en Fichte wilden Kant voorbijstreven, op weg naar een poëtischer, holistische visie op de werkelijkheid. Kant zelf, `mentaal bijna verlamd', noteerde tenslotte voornamelijk bizarre invallen, zoals dat je van bier drinken jong sterft en dat katten `elektrische' dieren zijn. Hij teerde weg; zijn `minuscule billen' maakten zelfs zitten pijnlijk. De bediende Lampe, veertig jaar in dienst, werd ontslagen na dronkenschap en brutaliteit tegen zijn bejaarde meester. Het gerucht dat Lampe (die tegen Kants zin trouwde) homoseksuele avances zou hebben gemaakt naar zijn baas, noemt Kuehn `pure fantasie en wensdenken'. `Ik ben oud en zwak, beschouw me maar als een kind', zei Kant tenslotte zelf.

Hij stierf in februari 1804. Zijn laatste woorden, na het drinken van een glas met water aangelengde wijn, waren `Es ist gut'. Waarschijnlijk bedoelde Kant gewoon dat hij genoeg had gedronken of, als we dan moeten interpreteren, dat hij genoeg had gehad van het leven. Ondanks zijn verdediging van een praktisch godsgeloof, stierf Kant volgens Kuehn als atheïst, gespeend van hoop op een hiernamaals of een genadige God. Zijn begrafenis werd druk bezocht, maar enkele vooraanstaande christelijke burgers van Königsberg bleven weg. De `allesverpletteraar' was nog steeds omstreden.

Manfred Kuehn: Kant. A Biography. Cambridge University Press, 544 blz. ƒ88,50

Gerectificeerd

In de bespreking door Sjoerd de Jong van Manfred Kuehns Kant-biografie (Boeken, 31.8.2001) had de titel van een van diens kleinere geschriften moeten luiden Zum ewigen Frieden en niet Ueber die ewige Friede.