Miloševic verliest kort geding tegen Nederlandse staat

De Nederlandse staat hoeft niet te ijveren voor de onmiddellijke vrijlating van de Joegoslavische ex-president Slobodan Miloševic uit het VN-cellencomplex van de gevangenis in Scheveningen.

Dit heeft de president van de rechtbank in Den Haag vanmorgen bepaald in een kort geding dat was aangespannen door enkele Nederlandse advocaten namens Miloševic.

De advocaten eisten dat Miloševic onmiddellijk zou worden vrijgelaten. Volgens hen is de ex-president door middel van ,,kidnapping en mensenhandel'' uitgeleverd aan het Joegoslavië-tribunaal, waarbij alle fundamentele rechten van de mens zijn geschonden. Daarnaast bestrijden de advocaten de rechtmatigheid van het tribunaal. De advocaten van Miloševic voerden tijdens de zitting, vorige week, aan dat het Joegoslavië-tribunaal is ingesteld door de Veiligheidsraad en niet door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, die dat naar hun oordeel had moeten doen.

Maar rechter R. Paris oordeelde vanmorgen dat de Veiligheidsraad in overeenstemming met het handvest van de Verenigde Naties heeft gehandeld. Hij verwees daarbij ook naar eerdere uitspraken van het VN-tribunaal waarbij, na lang juridisch getouwtrek, de rechtmatigheid van het tribunaal nog een keer is bevestigd.

Rechter Paris vindt dat een Nederlandse rechter niet bevoegd is om te beslissen over de vrijlating van Miloševic. Hoewel de strafgevangenis van Scheveningen op Nederlands grondgebied staat, heeft Nederland de rechtsmacht over de gedetineerden bij het Joegoslavië-tribunaal overgedragen aan de Verenigde Naties.

Ook over de gang van zaken in de strafgevangenis van Scheveningen acht Paris zich niet bevoegd te oordelen. De advocaten van Miloševic stelden tijdens het kort geding dat de rechten van de mens van de oud-president worden geschonden, doordat hij geen contact mag hebben met zijn advocaten zonder dat daar mensen van het tribunaal bij aanwezig zijn.

De advocaten van de vroegere president gaan tegen de uitspraak in beroep. Raadsman E. Hummels typeerde de Nederlandse rechtsgang na de uitspraak van vandaag als ,,een middeleeuwse toestand'' en sprak van ,,een kneveling van de fundamentele rechten van de mens''.